Pater Emidius Hilhorst, Ord. Carm.

1924-1926

An article in eight parts

 


Pater Emidius Hilhorst, Ord. Carm.

Door P. Dr. Titus Brandsma, Ord. Carm. Nijmegen.[1]


Een der schoonste bloemen uit onzen Braziliaanschen tuin is door den Hemelschen Hovenier geplukt. Ik weet niet, met welke bloem ik hem zal vergelijken – hij had van vele de liefelijke hoedanigheden. Hij was een teere bloem, en vanaf het eerste ontluiken vreesden wij, dat de storm ze vóór den tijd zou knakken.

Maar het zonnetje scheen, de Zon van Gods genade, en onder haar warme, koesterende stralen hief de bloem haar kelk al hooger naar het licht en straalde zij in ongewone schoonheid, verspreidde zij alom den zoetsten geur en als wij terugdenken aan die pracht, verwondert het ons niet meer, dat de Hovenier van ’s Hemels gaarde ze overplantte naar zijn hof.

Hij was een echte missionaris.

Hij gaf zich.

Reeds jaren, voor hij ging, was hij er vol van.

Geen schooner ideaal kon men hem voorhouden, dan naar de missie te gaan en daar zich voor het zielenheil ten offer te brengen.

Dikwijls dachten wij, dat zijn ideaal wel nooit verwezenlijkt zoude worden.

Herhaalde bloedspuwingen ondermijnden zijn gezondheid.

Maar als wij hem opgaven, beurde [198] Gods kracht hem weer op en toen hij priester was gewijd, bleek hij, zwak weliswaar, maar niet bovenmate, een werkkracht om grootsch op te zijn.

Voor elk werk van zielzorg toonde hij den grootsten ijver.

Het was misschien wel een beetje om te laten zien, dat hij toch wel wat kon en niet zoo ongeschikt was voor het missiewerk, dat steeds zijn droombeeld bleef. Maar als dit zoo was, dan was het daaraan ondergeschikt als een openbaring van liefde en offervaardigheid.

Zeker is het, dat hij zich sterk maakte, sterker misschien dan hij in werkelijkheid was, maar sterk vooral door groote geestkracht, sterk in de kracht van God, op wien hij boven al vertrouwde en aan wien hij zich overgaf, geheel.

Zoo scheen hij geroepen tot het missiewerk.

Drie jaar na zijn priesterwijding, 2 December 1919, hij was toen bijna 30 jaar, ging hij scheep naar Brazilië. Bijna vier jaar is hij hier werkzaam geweest.

23 September 1923 is hij verscheiden.

Zijn gedachtenis leeft echter voort. Zij zal nog lang in zegening blijven.

Een groot verlies beteekent naar menschelijke berekening zijn dood voor de missie. Het zwaarste en minst aangename werk vond in hem nog steeds een begeesterden en toegewijden vriend.

Wat herinner ik me nog zijn brief na zijn eerste bezoek aan de melaatschen. Hij zou heel zijn leven onder hen werkzaam hebben willen blijven, zijn leven tenslotte met hen in afschuwwekkend lijden hebben willen zien ondergaan.

O, daar was hij vol van, hij wilde zich zoo graag ten offer brengen. Geen vorm van offer schrikte hem af. Maar leefde hij in zijn eigen werk, hij leefde ook in dat zijner ordebroeders in de missie.

Wat kon hij met geestdrift schrijven over het succes, dat dezen hadden. In zijn brieven zweeg hij meestal van het succes, dat zijn eigen werk opleverde, om hoog op te geven van de verblijdende resultaten van het werk van anderen.

Toen Pater Urbanus van Erp, zijn medehelper te Itú, een congregatie van jongelingen had opgericht, gaf hij zoo oprecht uiting aan zijn blijdschap met de woorden: “En succes heeft hij tot nu toe. Maandelijks communiceert op z’n minst 4/5 van onze jongens en woont ook de vergadering bij. ’t Is een prachtig gezicht, wanneer ze te samen in het priesterkoor staan. Zooveel jongelui, die vereend, openlijk hun katholiek geloof betuigen, is een kostbare zeldzaamheid in Brazilië.”

En toen eenigen tijd later Pater Ambrosius Vroling, eveneens te Itú, een congregatie van mannen oprichtte, schreef hij mij niet minder geestdriftig: “Hij heeft in onze kerk de ‘Liga Jezus, Maria, José’ opgericht. Verleden week is de eerste vergadering geweest. 200 Mannen (dubbel onderstreept) waren er! Ruim tweehonderd mannen. Itú zelf staat verstomd. De kerk was stampvol [199] met louter mannen. Dat ìs iets!”

En zoo zou ik voort kunnen gaan met zijn eigen ziel bloot te leggen.

Ik behoef daartoe echter mijn toevlucht niet te nemen tot zijn particuliere correspondentie, al spreekt ze daaruit misschien toch wel het sterkst. Ik behoef slechts te verwijzen naar de laatste vier Jaargangen van ons Maandschrift, waarin hij op zoo talentvolle wijze van het missiewerk in Brazilië, van de zorgen en de blijde vruchten wist te vertellen. Graag werd hij altijd gelezen. Niemand kon er over praten gelijk hij.

Zoo het leven, zoo de dood.

Was zijn leven een voorbeeld, stichtend was in niet minder mate zijn sterfbed.

Het ideaal, dat hem heel zijn leven had tegengelachen, stond ook bij zijn sterven nog voor zijn geest. Het vond toen eigenlijk pas zijn verwezenlijking.

Want hij zocht het missiewerk niet om het missiewerk, hij hechtte weinig waarde aan zijn eigen arbeid, hij zocht het, omdat het een offer insloot, het offer van zijn leven voor een heilige zaak, welke – hij was er zoo diep van overtuigd – slechts kan gediend worden door het offer. Hij wilde voor het heil der zielen werken, er voor werken in de missie, maar niet door voor of in de missie te leven, doch door er voor te sterven.

Dat was zijn hooge opvatting van het missiewerk.

En terwijl anderen treurden, omdat hij zoo vroeg van hen heen ging, hij, een van de jonge krachten, een van de tot alles bereiden – was hij blij en noemde hij zich een uitverkorene, omdat hij sterven mocht, zijn jonge leven geven kon, wat meer vrucht moest geven dan alle leven, de nauwste aansluiting was aan het werk der Verlossing, volbracht op het kruis.

Het was in de dagen van het feest van Onze Lieve Vrouw van den Berg Carmel. Lichamelijk leed hij veel. Maar blij keken zijn donkere oogen ieder aan, die binnenkwam. Vreugde lag op zijn gezicht. Hij was haast te zwak om te praten, maar hij kon toch de blije stemming niet in zich besloten houden. “Wat ben ik blij, wat ben ik toch gelukkig…. wat ben ik toch gelukkig, zoo vroeg te mogen sterven….. Onze Lieve Heer is altijd goed voor mij geweest…. Dan kom ik bij Maria, bij kleine Treeske.” Tot de kleine Zalige Teresia had hij een bijzondere godsvrucht. Waren zij niet één van ziel, de ontbladerde roos en deze bloem?

Pater Benignus Dissel, die zijn plaats te Itú innam, schreef deze woorden op. Hij schreef mij verder nog de volgende bijzonderheden over dit stichtend sterfbed. Op Jezus wilde onze zieke gelijken. Van zijn liefde tot den gekruisten Jezus kunnen allen getuigen, die gezien hebben, hoe Pater Emidius omging met zijn kruisbeeld. Het hing dicht bij hem aan den muur, zoodat hij er voortdurend de oogen op kon vestigen. Dikwijls, vooral als het lijden erg werd, nam hij het in zijn handen, streelde en kuste hij het.

Na zijn dood vond de Prior het volgende briefje, dat hij reeds ge- [200] ruimen tijd naar het scheen, met zijn scapulier om den hals droeg. Het was hier en daar niet meer te lezen, doch die onleesbaarheid betrof slechts woorden, die het verband gemakkelijk laten aanvullen:

Na een toewijding aan Maria en aan de kleine Teresia, door haar beider namen er boven te schrijven, vervolgt hij:

“Heer Jezus, Gij hebt den kelk der angsten in den Olijvenhof leeggedronken tot den bodem, zou ik dan durven weigeren, daarvan te proeven? Heer Jezus, ik wil U immers gelijken?

“Uwe genade, Lieve Heer, door de voorspraak uwer H. Moeder en mijn H. Zuster Teresia.

“Zalige Teresia..(onleesbaar) roos … mijn ziel …..( onleesbaar) uw tijd is te kort, uw tijd is kostbaar. Mijn sterkte, ze berust in liefde tot Jezus.

Leve Jezus.”

In een boekje met aanteekeningen werd nog gevonden:

“Een bede uit een hart, dat zoo graag Jezus veel, veel, zeer veel, ja ook oneindig veel zou willen beminnen.”

Die bede “aangeboden door Maria’s handen” luidde:

“Heer Jezus, laat mij òf lijden op deze aarde òf neem mij tot U, laat me zonder lijden niet langer leven. Heer, Heer, verhoor mij.”

Hij werd verhoord.

Lijden was zijn deel, al was het tegelijk zijn vreugde. Hoe blij hij was met zijn vroegen dood! Het zou verkeerd zijn, dezen voor te stellen als een weg met rozen zonder doornen.

De ziekte duurde maanden, hij werd al zwakker en al heviger werden de benauwdheden. Lichte beterschap beteekende een verlenging van het lijden niet alleen, maar ook een vermeerdering. Het liggen, dat hem slechts op één zijde mogelijk was, veroorzaakte ten slotte hevige pijn. De benauwdheid dwong hem vaak, uren halfzittend, halfliggend door te brengen in een houding, waarin het hoofd geen steun vond. In die uren dacht hij aan Jezus’ onhoudbare houding aan het Kruis. Die gedachte deed hem, maar niet zonder moeite, uithouden, wat haast niet uit te houden was.

Blij was hij zeker in het vooruitzicht van den dood, hij gaf er de ondubbelzinnigste blijken van, maar toch werd ook hem het geestelijk lijden niet gespaard. Zelf bekende hij, dat de gedachte aan den dood, “dien verschrikkelijken dood”, hem schrik aanjoeg. Zoo was zijn dood wel een allernauwste aansluiting aan Jezus’ dood op het Kruis.

Heeft God de wereld willen verlossen door voor haar te sterven, dan mogen wij ook met vast vertrouwen zeggen, dat deze dood het schoonste missiewerk is geweest van dezen missionaris.

Hoevele ook de vruchten waren, welke wij ons van zijn toewijding en offervaardigheid voorstelden, zonder aarzeling erkennen wij, meer vrucht, dan zijn leven ons deed verwachten, te verhopen van zijn dood.



  1. Published in: Carmelrozen Vol. XII, Januari 1924, p. 197-200.


P. Emidius Hilhorst, Ord. Carm.

(Gestorven in roep van heiligheid 23 September 1923)[1]


Het is een eigenaardige gewaarwording, wanneer men aan den naam van een pasgestorvene de woorden toevoegt: Gestorven in roep van heiligheid. En zulks te meer nog, wanneer het iemand geldt, met wien men jaren lang als kloosterling heeft omgegaan. En niet zonder reden mogen wij die woorden bij zijn naam voegen, want noemde men P. Emidius bij zijn leven reeds een Heilige – die vereering vond nieuw voedsel, toen men bijzondere teekenen zag samenvallen met zijn sterven en na inroeping van zijn voorspraak bijzondere gunsten verkreeg.

Om deze reden moge dan ook een meer uitvoerige levensbeschrijving van hem plaats vinden in ons Carmelmaandschrift.


Te Hilversum aanschouwde hij het levenslicht 14 April 1890. De dag was reeds te ver gevorderd om hem nog dien eigen dag te doen doopen, zoo dat hem eerst den volgenden dag het H. Doopsel werd toegediend, en wel door den Weleerw. Heer G.B. Meyknecht, kapelaan der Parochie van den H. Vitus. Als patroonheiligen werden hem de H. Joannes de Doo- [89] per en de H. Theodorus geschonken.

Zijn ouders Cornelius Hilhorst en Aleida ten Brink, behoorden tot den middenstand. Vader had een bakkerij op de Groest 101. De familie Hilhorst had een goeden naam in de parochie. Het huisgezin kenmerkte zich door getrouwe plichtsvervulling. En onder die plichten namen die van den godsdienst een eerste plaats in. Vader en Moeder Hilhorst waren stipt op hun tijd in de kerk en thuis werd Onze Lieve Heer evenmin vergeten. Nauwelijks een jaar oud, wist Jantje de beeltenis van Onzen Lieven Heer in huis te vinden, maakten zijn handjes een kruis en stamelden zijn lipjes de eerste woorden van het Weesgegroet Maria. En vader en moeder zagen in Jantje hun zorgen al spoedig op bijzondere wijze beloond. Jantje luisterde zoo goed naar hun lessen en wenken, dat hij was als een engeltje in huis, ieder hem toen reeds voor een heilig jonske hield. Van zijn jeugd, zoo zeide mij zijn zuster, kan ik U vertellen, dat hij altijd thuis de braafste en gehoorzaamste was.

Reeds toen echter leek het, of Onze Lieve Heer hem rijp achtte voor den Hemel en hem onder zijn Engeltjes wilde opnemen. Hij was zulk een teer plantje, dat men meende, dat hij geen ziektestormen zou weerstaan. En toch kwamen zulke stormen op, hevige koortsen, veroorzaakt door klieren in de nog zoo teere ingewanden. Men had hem reeds ten doode opgeschreven, toen hij buiten verwachting herstelde, al bleef het een jaar lang sukkelen en oefenden al dien tijd eikelcacao en kalkwater als voorgeschreven medicijnen zijn smaak in de later zoo geliefde versterving. Hij wist nu, wat ziek-zijn was. En hij heeft daarvan van zijn prilste jeugd het medelijden met de zieken behouden. Als kind openbaarde hij dat reeds meermalen op treffende wijze en leed hij anderer leed met heviger smart dan eigen. In een van zijn latere brieven aan zijn broer Gerard vertelt hij zelf daarvan een klein staaltje uit den tijd, dat hij nog naar de bewaarschool ging. Broertje lag toen nog, gelijk hij schrijft zich te herinneren, in de groen-omhuifde wieg. “Ik herinner me zelfs nog, waar toen je wieg stond en waar Moeder haar kous zat te breien.” En hij voegt er bij: “Gek toch hé, dat zulke kleine dingen zoo vast in het geheugen kunnen blijven”. Intusschen vertelt hij van [90] zijn wedervaren op de bewaarschool: “Op een morgen, voordat ik naar die verheven instelling vertrok, zei me Moeder: “Stil, broertje is ziek”. Ik was natuurlijk gehoorzaam en een muisje gelijk ging ik weg. Van ziek-zijn had ik toen een verschrikkelijk idee en ik dacht aan iets heel ergs. Ik was zoo bang, dat ik eenmaal gezeten in die lage bankjes met de anderen, zoo hard begon te schreeuwen, dat ze allemaal medelij met me kregen. Van het vele snikken kon ik niet zeggen, wat me eigenlijk scheelde. Ik wees maar met me vinger op huis aan, doch o wee! Nu dachten ze, dat de jongen voor me de schuldige was. De arme stakkerd heeft het leelijk moeten bezuren. Toen ik thuis kwam, ben ik direct naar je wieg geloopen, maar toen zei Moeder, dat je al weer beter was en nu moest slapen. Alleen mocht ik even kijken.”

Hoe weinig merkwaardig op zichzelf dit kleine tafereeltje velen moge schijnen, voor wie hem gekend hebben typeert het op sterke wijze zijn medelijden met de nooden van anderen. Wat bij een ander kind in gelijke omstandigheden zou kunnen worden opgevat als een opwelling van zeer voorbijgaanden aard, mogen wij bij hem op grond van waarneming van zoovele soortgelijke beschouwen, als de uiting van gevoelig medelijden, zoo sterk, dat het alles in hem beheerschte.

Het werd de vruchtbare bodem van zijn godsvrucht tot den Lijdenden Heiland op het Kruis, de kracht van zijn kracht, de prikkel tot de offervaardigheid, die steeds in hem uitblonk.

Hoe hij als kind reeds voor zieken en lijdenden een bemiddelaar wilde zijn en was tusschen hen en Onzen Lieven Heer, vinden we aardig toegelicht door hetgeen een zijner broers nog mededeelde uit de ziekte van Grootmoeder ten Brink, die bij de familie Hilhorst op de Groest inwoonde en van wie de kinderen allen dol veel hielden. Moeder had het druk in de huishouding en daarom werden de kleinen gaarne aan de goede zorgen van haar moeder toevertrouwd. Als het 4 uur was en de kindertjes kwamen uit de school terug, dan even moeder goeden dag zeggen, maar dan aanstonds naar Grootmoeder. Voor haar moesten ze dan op de beurt de vragen en antwoorden van den Catechismus opzeggen en elk een stukje [91] voorlezen uit de Bijbelsche Geschiedenis. Eerst daarna mochten ze aan de boterham beginnen. Voor het tengere en zwakke Jantje stond dan altijd een tas chocolade bij Grootmoeder klaar. Ook haar lieveling was hij om geen andere reden, dan omdat hij zoo braaf en vroom was. Toen zij tijdens haar laatste ziekte zeer verzwakt was en haar dagelijksche gebeden niet meer uit haar kerkboek bidden kon, vroeg zij er toch om, voelde aan de prentjes, die er in lagen bij de verschillende gebeden, welk gebed zij voor zich had en dan moest Jantje komen om het haar voor te bidden. Dat kon weer niemand zoo goed als het kleine, toen nog maar elf-jarige engeltje.

Jantje was zeker ook wel eens stout en met de andere jongens mee-ondeugend. Maar, gelijk zijn broers getuigen, het ging hem toch eigenlijk niet goed af. Zijn zwakte droeg daar mede toe bij. Als er geloopen moest worden, dan viel hij gewoonlijk een paar malen en kwam zoo meestal achteraan, zoodat hij zelfs den bijnaam Jan Val kreeg. Wel hield hij veel van een lolletje en mochten de jongens hem daarom graag, maar voor kattekwaad of iets minder lofwaardigs was Jantje nooit hun man. Een heel enkelen keer heeft hij zich eens laten verleiden om met de andere jongens op een vrijen Zaterdagmiddag mee te “knollen-jatten”. Toen het voorstel daartoe werd gedaan, hadden er allen zin in behalve Jan, maar door het zeuren van ons, zoo vertelde zijn broer, liet hij zich eindelijk overhalen en ging hij mee. Als terrein werd het voor de Hilversumsche jeugd welbekende “Koepeltje van van Veersen” gekozen. Daar stonden zoo veel knollen, dat ze er vrij een paar van meenden te mogen uittrekken en opeten. Knollendienders of politie zagen ze niet en daarom er op los. Maar er was, al hadden zij ze niet gezien, toch politie in de buurt en toen de jongens bezig waren, kwam al heel spoedig een agent hun zoet bedrijf onderbreken. Allen zetten het op een loopen, Jantje ook, maar hij viel ook dezen keer en terwijl de hoofdschuldigen ontkwamen, werd tegen Jan proces-verbaal opgemaakt. Moeder hoorde het het eerst, maar Jan was er zelf zoo over bedroefd, dat zij hem niet kon straffen en heel gerust was op zijn belofte, het nooit meer te zullen doen. De [92] boete van een gulden, voor een jongen een heel kapitaal, moest hij echter uit zijn spaarpot betalen. Oprecht was daarbij gemeend, wat hij zeide: “Dit is een goede leer voor een volgenden keer.” Hij had er werkelijk mee geleerd. Nu konden de andere jongens hem heelemaal niet meer meekrijgen bij hun kwajongensstreken, tenzij ze geheel onschuldig waren.

Veel liever las hij mooie verhalen of bezag hij platen. Dan kon hij in begeestering komen. Vooral als strijd werd geschetst of uitgebeeld.

Zelf schreef hij later in “Carmelrozen”: “Met welk een lust kon ik in de dagen van mijn kuitbroek bladeren in de jaargangen van de Kath. Illustratie, speurend naar imponeerende tafereelen, waar strijd een uitbeelding vond. De machtige figuren der kruisvaarders bestaarde ik muisstil en star, als hoorde ik bezielend bruisen: “God wil het”. De slagvelden, waar de zouaven handgemeen waren met Garibaldisten, zocht ik bij voorkeur, op de vleugelen van mijn jongens-fantasie een plaats zoekend tusschen die dapperen op de velden van Montelibretti en Castelfidardo. “Ah, als ik groot ben en de Paus weer zouaven noodig heeft!”

Hij zou eens nog meer zijn dan zouaaf.

Naast de woning van Vader Hilhorst stond het klooster van de Zusters Franciscanessen. Bij haar ging kleine Jan op de bewaarschool en hoe klein ook nog, toen reeds voelden de Eerw. Zusters zich bijzonder tot het brave ventje aangetrokken. Het bad zoo eerbiedig in de school, ze zagen het zoo dikwijls in de kerk, dat zij meenden, dat geen knaapje meer in aanmerking kwam om Misdienaar te zijn op de kloosterkapel. Vader en Moeder waren den Zusters genoeg bekend, om haar de zekerheid te geven, dat er van hun kant geen bezwaar tegen zou worden gemaakt, als zij Jantje elken morgen al om zeven uur op de kapel wenschten. Toen hij zeven jaar oud was, werd hem dan ook die in zijn oogen groote onderscheiding geschonken tegelijk met zijn broertje Reinier. Wat was hij blij en met welk een opgewektheid stond hij elken morgen ruim voor zeven uur aan de deur van het klooster om de H. Mis te dienen en hij zag er heelemaal niet tegen op, [93] daarna nog, als er vreemde priesters waren, of er was een misdienaar ziek, in de Parochiekerk een of meer H.H. Missen te dienen. De koster vond in die jaren de broertjes Hilhorst steeds bereid met hem mee te gaan, als hij hen ging halen, ook al was het nu en dan, als een der Heeren op reis moest, des morgens al om vijf uur. De eerbied en nauwgezetheid, welke vooral Jantje bij het Misdienen toonde, stichtten de Zusters dermate, dat zij er onder elkander over spraken, dat hij, ook om zijn geduld daarbij, als aangewezen was, om wanneer er een nieuwe misdienaar bijkwam, dezen te onderrichten en te leeren, en vele Zusters zeiden, gelijk zijn zuster mij schreef: “In Jantje zit meer in.”

In Jantje leefde en groeide de gedachte, Priester te worden.

Met die gedachte kon hij rondloopen, de anders zoo vroolijke guitige jongen, in diep ernstig nadenken. Hij dwaalde er mee naar ’t Hoog van het Kruis, vanwaar de schoone vergezichten hem andere vergezichten openden. Starend keek hij er naar het Zuiden. Zijn oogen zagen er op de wereld, heel ver voor zich uit. Van die wereld begreep hij nog niet veel, maar hij wist toch wel, dat men daar niet altijd even goed Onzen Lieven Heer diende, men Hem niet beminde, en hij wilde priester worden om de menschen de liefde Gods te leeren en in de vriendschap Gods te brengen en te houden. De H. Mis doen en preeken, de zieken bezoeken en troosten, werden idealen, die zijn geest boeiden.

Thuis bootste hij in kinderlijken eenvoud het opdragen van het H. Misoffer na.

Het verwonderde Vader dan ook in het geheel niet, toen de schooljaren ten einde liepen, van hem op de vraag, wat hij wilde worden, te hooren: “Als U het goedvindt, vader, word ik priester”. Maar, al verwonderde het Vader noch Moeder, wel baarde het hun groote zorgen. De studie voor het Priesterschap van Jan beteekende voor hen zeer aanzienlijke geldelijke offers. Maar te lief was hun de blijkbare roeping van hun kind tot iets hoogers, dan dat zij niet gaarne een offer brachten en niet alles aanwendden om Jan in de gelegenheid te stellen, zich voor die verheven roeping voor te bereiden. Veel hulp en steun ondervonden zij hierbij van den Weleerw. Heer Faber, destijds Kapelaan te Eemnes. Hierheen was de Familie Hilhorst 2 Februari 1903 verhuisd. Het huis op de Groest te Hilversum werd bij het klooster der Zusters getrokken en is op deze wijze ook niet bewaard gebleven. In de plaats daarvan vonden Vader en Moeder Hilhorst een huis in de Kerkstraat te Eemnes-Buiten. Het was een bakkerij als te Hilversum en het bedrijf werd dan ook op den ouden voet voortgezet. Nog te meer voelde de Familie zich tot Eemnes getrokken, omdat de ouders beiden uit Eemnes geboortig waren en zich meer Eemnessers dan Hilversummers voelden. Van de Ouders ging dit op de kinderen over, ook op Jan, later Pater Emidius, die hoewel te Hilversum geboren toch door de woonplaats zijner ouders meer aan Eemnes, dan aan Hilversum meende te behooren.

(Word vervolgd.)



  1. Published in: Carmelrozen Vol. XIV, Oct. 1925, p. 88-93.


P. Emidius Hilhorst, Ord. Carm.

(Gestorven in roep van Heiligheid 23 September 1923.)[1]


Had hij te Hilversum nog zijn eerste H. Communie gedaan, gevormd werd hij in 1903 te Eemnes, al heel spoedig, nadat hij daar gekomen was. Omstreeks dienzelfden tijd begon zijn eerste voorbereiding tot het priesterschap. Met een jongen uit Laren, van den Brink, ging hij elken dag naar den Kapelaan, die op zich had genomen, de beide jongens de lessen van het eerste jaar te geven, zoodat zij op de tweede klas van het Seminarie zouden kunnen komen, wat gelukte.

Zoo ging Jan begin September 1905 naar Culemborg, het klein Seminarie van het Aartsbisdom, in de hoop en de verwachting, dat hij na volbrachte studiën zou kunnen overgaan naar het Groot-Seminarie te Rijsenburg en zoo geleidelijk zou worden opgenomen onder de Priesterschap van het Aartsbisdom Utrecht.

Hij was te blij met dezen eersten stap ter verwezenlijking van zijn ideaal, dat trouwens ook voor hem zelven nog vaag omschreven was, dan dat hij toen reeds schijnt gedacht te hebben aan een andere, nog schooner verwezenlijking daarvan.

Maar niet slechts leefde, zooals ik schreef, in hem de gedachte, priester te worden, zij groeide in hem. Nauwelijks was hij in Culemborg, of het verlangen kwam in hem op, zich nog vollediger aan God te wijden, zich door kloostergeloften aan Hem te verbinden, zich van de aardsche banden geheel vrij te maken en zich te stellen onder de leiding van een Orde, die hem zou kunnen sturen, waar hij het meeste goed kon doen. In één woord, hij wilde meer doen voor Onzen Lie- [98] ven Heer, dan hij meende als priester in de wereld voor Hem te kunnen of te zullen doen. Zoo bleef hij te Culemborg maar een jaar. Met zijn uitgesproken verlangen, Pater te worden, was hij daar niet op zijn plaats, hoe goed de opleiding er ook was en hoe dankbaar hij daaraan later ook nog dikwijls terugdacht.

Het is in dit leven buitengewoon opmerkelijk, dat de roeping er bijzonder sterk in tot uiting kwam en hij ondanks zijn gunstigen aanleg en zijn prettig karakter den aard niet had, waar hij niet moest zijn, om te geraken, waartoe hij blijkt te zijn geroepen.

Zoo tierde dit kleine teere plantje niet op den Seminarie-grond, hoe zorgvuldig het ook werd geleid en gevoed. Het kwijnde eer, dan het bloeide. Het volle leven was er niet. Wel bleef hij er de oprechte, gehoorzame jongen, braaf en godsdienstig, ook wel vroolijk en aardig op zijn tijd, maar toch lag er spoedig iets stils en weemoedigs over hem, zoodat men zich afvroeg, of dat aardige korte dikke ventje wel eigenlijk schik had op het Seminarie en men na een jaar tot het besluit kwam, dat hij er zich eigenlijk niet thuis gevoelde.

Den Ouders werd dan ook de raad gegeven, Jan thuis te houden. Als hij Pater wilde worden, was het beter, hem toen reeds naar een andere school te zenden. Zoo verliet hij Culemborg, na er slechts een jaar te hebben gestudeerd. Nu werd zijn roeping echter op een harde proef gesteld. Zijn Ouders waren niet zoo gelukkig, aanstonds een kloosterschool te vinden, waar men hem wilde opnemen. En het ontbrak natuurlijk niet aan goede vrienden van de Familie, die, gelijk zijn zuster schrijft, tot Vader Hilhorst zeiden: “Ik zou hem liever thuis houden. ’t Kost hopen geld en Je kunt hem best gebruiken.” Gebruiken kon Vader Hilhorst Jan heel goed, want als hij met vacantie thuis was, zag hij er heelemaal niet tegen op, mee aan te pakken, mee te gaan naar het bosch om hout te halen, in de bakkerij te helpen of andere diensten te bewijzen. Hij was toen om de zestien jaar. Maar al kon hij hem heel goed gebruiken, Vader Hilhorst zag verder dan zijn goede raadgevers en bezag de zaak òok uit ander gezichtspunt. Eens werd die goede raad hem gegeven, waar Jan bij stond. Hij begreep zelf, dat het voor Vader een groot offer beteekende, hem vrij te geven voor dienst van God en toch, hij zou zoo graag de stem volgen, die hem riep. De tranen schoten hem in de oogen. Hij kon zich niet meer bedwingen. Maar toch spoedig vermande hij zich en zei tot Vader: “Vader, ik wil graag Pater worden, maar kan het U tot meer voordeel wezen en ben ik U tot te veel schade, dan zal ik U wel blijven helpen.” Die offervaardigheid overrompelde Vader Hilhorst niet, hij kende die reeds lang, maar zijn antwoord daarop stond ook even lang vast. Door zijn zoon zou hij zich niet in offervaardgheid laten overtreffen. Nooit hadden beiden zoo sterk tegenover elkander gestaan ter betuiging van wederzijdsche liefde en het was dan ook een beslissend oogenblik. De beslissing lag hier bij den zoo oprecht God-minnenden Vader, wiens antwoord luidde, kort en bondig: “Jij [99] mag het worden, al kost het me nog zooveel.”

“Wat was hij toen blij”, zoo schreef mij zijn zuster, die zich die blijdschap nog zoo goed herinnerde.

Die blijdschap steeg ten top, toen zekerheid werd verkregen, dat de Paters Carmelieten Jan toelieten tot de derde klas van hun Gymnasium te Zenderen. Hoe gelukkig achtte hij zich, toen hij daarna nog meer van de Carmelietenorde hoorde. Het Scapulier van de Lieve Vrouw van den Berg Carmel had hij al jaren met veel godsvrucht gedragen en droeg hij nu met nog inniger vreugde, omdat het hem nauwer verbond met de Paters, bij wie hij ging studeeren en aan wier godsvrucht tot Maria hij nu op bijzondere wijze deel had.

Wat hem echter nog sterker van Culemborg af naar een school van Paters trok, was niet op de eerste plaats het verlangen naar het kloosterleven, doch vooral zijn vurige begeerte, onder leiding der gehoorzaamheid eens naar de Missie te gaan. Hij wilde Pater worden, schreef mij zijn zuster, maar vooral Missionaris. Herhaaldelijk gaf hij te kennen, dat hij er zooveel voor voelde, Pater-Missionaris te worden, veel meer dan voor de werkzaamheid als wereldsch priester in een der Parochies van het vaderland. Het liefst wilde hij naar “de wilden” om die toch maar voor Onzen Lieven Heer te winnen. En daarom hoorde hij met zooveel blijde verwachting, dat de Nederlandsche Paters Carmelieten een Missie hadden aangenomen in Brazilië en reeds tien Paters en twee Broeders daarheen waren gegaan. [100] Daar wilde ook hij heen. Missionaris worden, eens naar Brazilië gaan, het maakte hem het verblijf te Zenderen tot iets heerlijks. Vol geestdrift toog hij er heen, vol blijdschap kwam hij er aan. Zijn vroolijkheid werkte aanstekelijk. Vanaf het eerste oogenblik had hij er aller harten gewonnen en was hij aller lieveling en vriend. Hij schrok ook niet terug voor die kleine studenten-ondernemingen om medestudenten of zelfs leeraren te plagen. Hij was min of meer een aanvoerder, die het bijzonder verstond, de jongens voor een of ander doel bij elkaar te krijgen en te houden. En wat bijzonder door oud-studenten als een merkwaardigheid naar voren wordt gebracht, hij verstond bij uitnemendheid de kunst, ontstane geschillen bij te leggen, den verstoorden vrede te herstellen, bij ontevredenheid door een uitleg ten goede de gemoederen te bedaren. Te vermelden valt, dat hij niet alleen op de speelplaats of in de recreatie de leiding had en een toonaangevende rol in de kleine studentenwereld speelde, neen, ook in de kapel, in de oefeningen van godsvrucht stond hij vooraan. Was hij het eerst op het voetbalveld, voor welke sport hij heel veel voelde, des morgens was hij ook een der eersten op de kapel en toen in zijn studententijd de decreten van Z. H. Paus Pius X over de veelvuldige H. Communie werden afgekondigd, was op het Gymnasium te Zenderen Jan Hilhorst een der velen, die er aanstonds toe besloten, dagelijks tot de H. Tafel te gaan. Zijn voorbeeld was ook hierbij schitterend. Opvallend was ook naar het getuigenis zijner medestudenten zijn godsvrucht, ernst en aandacht in de jaarlijksche retraite, welke het studiejaar opende. Hij muntte nog uit in godsvrucht tot het H. Hart van Jezus en hield zich stipt aan de verplichtingen, welke het lidmaatschap van de Eerewacht hem oplegde. Bij zijn bekende godsvrucht tot Maria kan het ons niet verwonderen, dat hij tot tweemaal toe onder den vacantietijd, eens met een of twee medestudenten, een anderen keer met zijn broer Gerard ter bedevaart ging naar O. L. Vrouw te Kevelaar, die bedevaarten ernstig opnam, er met groote godsvrucht bad en er zich onder de bijzondere bescherming van Maria stelde voor heel zijn verder leven. De tweede bedevaart ging per rijwiel. Toen we een paar uur van huis waren, zeide Jan, zoo schreef mij zijn broer: “Nu zullen we eerst een Rozenhoedje bidden.” En toen ik er wel eenig bezwaar tegen maakte, dat zoo maar op de fiets te doen langs den weg, deelde hij mijn bezwaar in geenen deele, maar zeide: “Dat hindert niets, ’t is toch een pelgrimsreis. Ze bidden in den trein ook, dus wij doen het ook.” Het is al weer zoo’n klein trekje, waaruit zijn ernst in al het godsdienstige blijkt en hij zich doet kennen als een flinken fermen Roomschen jongen.

Al zijn loffelijke hoedanigheden sluiten echter niet uit, dat hij nu en dan met de surveillance in botsing kwam. Hoe goed hij ook was, hij was nog geen heilige, dien niemand iets ten laste legde. Zijn soms uitgelaten vroolijkheid, zijn vaak guitige kwajongensstreken waren wel eens over de schreef, welke vooral de Rector niet [101] overschreden wilde zien, en zoo kwam hij er niet steeds, zelfs niet op de officiëele bulletins naar huis, af zonder rectoraal vermaan of zelfs straf. Nooit echter, voorzoover kan worden nagegaan, betroffen die straffen dingen, welke een ernstig vergrijp tegen de goede orde, een brutale ongehoorzaamheid zouden kunnen worden genoemd. Voor de studenten was hij een ideale medestudent, voor rector en leeraren een veelbelovende jongen. Vooral de eerste twee jaren in Zenderen blonken die goede hoedanigheden in hem uit. In het derde jaar werd de glans er van wel niet geheel verduisterd, maar viel er voor vele studenten en leeraren toch een lichte schaduw over. Al verminderde die eenigzins zijn beminnelijkheid, men zou er nog over kunnen twisten, of zij ook zijn innerlijke heiligheid verminderde. Wel schijnt hij in dien tijd een crisis te hebben doorgemaakt, welke nog lange jaren sporen in zijn gemoedsleven naliet en ook aan zijn uitingen van liefde tot God een tijdlang iets eigens en afgetrokkens gaf. Wij zouden het een zwakheid willen noemen, die een bron werd van kracht, een lichte ziekte, die dank het gezond herstel zijner ziel en de dagelijksche geneesmiddelen van den Hemelschen Geneesheer ten slotte eer ten goede dan ten kwade leidde, maar zonder die hulp en zonder zijn innige gehechtheid aan God hem van zijn hoogste doel zouden hebben kunnen afkeeren. Maar neen, daarvoor was hij te zeer het uitverkoren kindje Gods, daarvoor had hij te edelmoedig zichzelven God gewijd.

Ik zie geen reden, die crisis in zijn leven voorbij te gaan. Zij viel eenigszins samen met de crisis, welke het lichaam in de late jongelingsjaren doormaakt, volgde die althans op den voet. [102]

Jan Hilhorst was, ik zeide het reeds, toen hij in Zenderen kwam, een alleraardigst kort dik kereltje. Nu begon hij snel te groeien. Eerst klein voor zijn jaren, werd hij er nu haast te groot voor. Het dikke was er al spoedig af. Hij was eer mager te noemen. De kleur van zijn gelaat werd bleeker en teerder en al was hij nooit een robuste, sterke jongen, nu maakte hij eer den indruk van een, die wel wat versterkende middelen noodig had. Dat lange magere bleeke maakte zijn voorkomen niet aardiger, en al bleef hij een nette jongen, zijn uiterlijk had niet meer die innemendheid, welke vroeger velen, die zich vooral door het uiterlijk lieten leiden, aanstonds voor hem innam. Een meer gevoeligen knak kreeg echter zijn populariteit onder de studenten, omdat hij zich zelf min of meer van hen terugtrok en zich bij voorkeur ophield bij een bepaalden leerling.

Toen hij in Zenderen kwam, ’t aardig guitig ventje, knap van uiterlijk, vroolijk van uitzicht, was hij er dadelijk, zooals ik zeide, ieders lieveling. Dit leidde er toe, dat hij ook wel eens het voorwerp werd van teere genegenheid. Maar ook dan was Jan flink. Niet alleen wist hij te teere uitingen van vriendschap voor zijn persoon af te wenden, maar toen eens een geval van te teere vriendschap zich onder de studenten voordeed, was het weer Jan Hilhorst, die de kunst verstond, zoo tusschen beide te komen, dat met behoud van de vriendschap te sterke overdrijving daarvan werd vermeden. Een hunner dankt het, naar het getuigenis van een medestudent, wel aan Jans flinkheid en beleidvol optreden, dat hij niet op den verkeerden weg geraakte. Deze omstandigheid verzacht in hooge mate het feit, dat Jan als leerling van de vijfde opvallende vriendschap bewees aan een jongen van de eerste klas. Zijn ongerepte naam deed niemand er aan denken, dat hij zich ook maar in het minst verleiden liet tot iets, dat niet paste, maar het hinderde de studenten, dat hij, met wien allen graag omgingen, bij voorkeur slechts omging met een van hen, dat hij, die eerst het middelpunt vormde, zich nu met een hunner terugtrok en voor hen stil werd en afgetrokken. Zoo innig was de band, die beiden samenhield, dat nog onder de vacantie bezoek over en weer plaats had, ofschoon hun woonplaatsen nog al ver van elkander lagen.

Zeer merkwaardig is deze omstandigheid in dit overigens zoo aantrekkelijke leven. Vooral daarom is zij zoo merkwaardig, omdat zij richting heeft gegeven ook aan de uiting van zijn liefde tot God. Toen hij op het einde der gymnasiale studiën brak met de wereld, brak met haar vriendschappen en genegenheden, God het eenig voorwerp van beschouwing en liefde voor hem werd, veranderde met het voorwerp niet aanstonds de eigenaardige uiting van liefde en genegenheid, maar bleef hij nog jaren in zijn liefde tot God, dien hij vurig beminde, ten opzichte van zijn Medebroeders eenigszins stil en teruggetrokken om eerst weer geheel de oude te worden, toen hij bestemd werd voor het Missiewerk in Brazilië.

Uit zwakheid werd kracht geboren. [103] Natuurlijke en aardsche genegenheid, tijdig van richting en voorwerp veranderd en op het Hemelsche overgebracht, leidde hem er toe, in de hemelsche genegenheid zich ook met God alleen bezig te houden. Naarmate die bovennatuurlijke liefde volmaakter werd, werd zij ook weder ruimer en meer omvattend, totdat zij tenslotte in God heel de wereld omsloot. Zoo vond de lelie zijner liefde tot God in het Missiewerk de sfeer, waarin zij tot haar hoogsten bloei kwam. Hij voelde het, zoo moest hij zich geven om zich geheel te geven. Voor hem werd het Missiewerk meer dan een roeping, het werd een behoefte, een middel tot volmaaktheid, dat hij meende niet te kunnen missen om tot de volmaaktheid te geraken. Het is zelfs niet te veel gezegd, naar ik meen, dat, hoeveel eerbied wij ook hebben voor zijn deugdzaam leven hier in Nederland en hoezeer wij hem ook hier vereerden als een Heilige, de kroon op het werk zijner vervolmaking werd gezet door het missiewerk. Voor hem is het de ladder geworden, welke hem ten Hemel voerde.

En wij prijzen en loven God, dat Hij dezen weg, voor hem bestemd als zijn weg ten Hemel, voor hem geopend heeft, terwijl deze naar menschelijke berekening voor hem gesloten had moeten blijven.

Zoo voert God zijn uitverkorenen langs zijn wegen tot de volmaaktheid. Zoo blijkt alweer, dat niemand heilig wordt geboren en Gods bijzondere leiding onontbeerlijk mag heeten om onze zwakheden tot een hoogen graad van volmaaktheid op te voeren, ja, onze zwakheden nog te doen strekken tot versterking onzer liefde.

Word vervolgd.



  1. Published in: Carmelrozen Vol. XIV, Nov. 1925, p. 97-103.


P. Emidius Hilhorst, Ord. Carm.

(Gestorven in roep van Heiligheid 23 September 1923.)[1]


KLOOSTERLING EN PRIESTER.


Wat Jan Hilhorst vanaf zijn jeugd eerst nog eenigszins vaag, maar steeds klaarder en sinds de laatste vier jaar als een welomschreven ideaal voor den geest had gestaan, priester, kloosterling, missionaris te worden, bracht de Septembermaand van het jaar 1910 tot zijn eerste vervulling. Midden September deed hij zijn intrede in het oude klooster van de Orde der Broeders van Onzen Lieve Vrouw van den Berg Carmel te Boxmeer en na weinige dagen ontving hij er het Ordeskleed onder den nieuwen naam Emidius.

Een jaar bracht hij hier door, het jaar van het noviciaat. Met hem waren nog drie andere studenten ingetreden, terwijl acht dagen later nog een Broeder onder het getal der novicen werd opgenomen. Eenparig is hun getuigenis: In het noviciaat was hij ons allen ten voorbeeld. Dat zegt wel, dat hij met buitengewone nauwgezetheid de vele kleine verplichtingen van het kloosterleven nakwam. Nog getuigen zij, juist waar zij hem van vroeger kenden als den vroolijken soms haast uitgelaten vroolijken Jan, dat hij in den tijd van het noviciaat steeds ernstiger werd, zonder dat men hem gedrukt zou kunnen noemen. Op feestdagen en in de recreatie kon hij zelfs heel goed meedoen. Een feest als dat van Onnoozele Kinderen, waarbij de gewone voorschriften voor een dag buiten werking zijn gesteld, wordt door hem ten volle meegevierd. Ook op andere feestdagen laat hij zich niet onbetuigd en weet hij vaak leiding te geven aan de pret. Maar hoe aanstekelijk zoo nu en dan de feestvreugde ook op hem kon werken, steeds bleef hem daarbij het hooge besef zijner roeping bij. In alles deed hij mee. En gebeurde het soms op hooge feestdagen, dat de recreatie wat langer duurde, hij bleef tot het einde. Hij wilde geen uitzondering zijn. Bijzonder verstond hij de kunst, wanneer de gesprekken dreigden te verloopen ten nadeele van derden, ze in het rechte spoor te houden en ze tijdig op een ander punt te brengen. Zoo sterk was dit, dat zijn mede-novicen het zich na twintig jaar nog herinneren als iets bijzonders. Hij hield in de recreatie niet van kaarten, al had hij zich daarvan op het Gymnasium een liefhebber getoond. In het klooster gaf hij er de voorkeur aan, met allen samen te praten. Hierbij sprak [123] bijzonder zijn warm voelen voor den een of ander, die bij kaartspel niet zou kunnen meedoen en daardoor weinig aan de recreatie zou hebben. Met groote zorg vermeed hij in de gesprekken alle ruwe woorden. En niet alleen in zijn woorden was hij steeds netjes, ook op zijn cel en zijn kleeren was hij net en ordelijk, hoewel al wat naar gemaaktheid en kwasterigheid zweemde, hem steeds vreemd bleef. Over ouders of bloedverwanten hoorde men hem in de recreatie zelden of nooit spreken, al wist men heel goed en bemerkte men ook bij gelegenheid, dat hij hun een oprechte liefde toedroeg.

Met bijzonder voorliefde sprak hij in de recreatie over de Missie en toonde toen reeds, hoe gaarne hij te zijner tijd daarvoor zou worden aangewezen. Bij de algemeene oefeningen ontbrak hij nooit en was hij altijd op tijd. Ook muntte hij uit in een buitengewone gelijkmoedigheid. Hij was altijd blij en tevreden. Over eten of drinken hoorde men hem niet spreken, nog veel minder ooit klagen. Bij de gezamenlijke gebeden, niet slechts op het koor, maar ook onder de novicen met elkander, was hij steeds een stichtend voorbeeld. Niet minder godsvrucht en toewijding toonde hij bij het zingen in de kerk en de voorbereiding daarvoor. Hij kon bijzonder goed zingen, maar oefende zich steeds, wanneer hij iets te zingen had. Al bleef hetgeen hij in den tijd van het noviciaat deed, binnen de perken van het gewone en is uit dien tijd weinig bijzonder merkwaardigs mee te deelen, het is een niet geringe verdienste, de grootste, welke wij hem kunnen toekennen, dat men eenparig van hem getuigt, dat hij al zijn verpichtingen met de grootste nauwgezetheid waarnam en in den vromen ijverigen novicenkring uitmuntte, de eerste was, de beste van de vijf. Een enkelen keer blonk zijn deugd op bijzondere wijze uit, zoodat na twintig jaren bij alle novicen de herinnering aan dat voorval nog levendig is. In de recreatie stond op een console een heiligenbeeldje. Frater Emidius was nog al groot, zoo groot, dat eens, toen hij van zijn stoel , die toevallig juist onder dat beeldje stond, ging opstaan, hij er met zijn hoofd tegenstiet en het beeld in stukken naast hem op den grond viel. Voor den Novicenmeester was dit een welkome gelegenheid, hem op de proef te stellen. In een onevenredig harde berisping onderhield hij hem in het bijzijn van zijn mede-novicen over zijn ruwheid, lompheid, onnadenkendheid, gebrek aan eerbied enz. Het prikkelde zijn mede-novicen, naar zij getuigden, maar Emidius toonde zich in het minst gestoord of ook maar eenigszins geprikkeld. Op zijn gelaat lag veeleer voldoening en blijdschap en de openste erkenning van schuld en tekortkoming. Die houding dwong hun aller bewondering af, niet slechts voor zijn zelfbeheersching, maar nog meer voor zijn geduld en ootmoed. Na zulk een Noviciaat moest op den gewonen tijd het verlof tot de professie volgen.

Dat was voor hem een blijde dag.

25 September 1911 lag hij voor het Hoogaltaar van de kloosterkerk te Boxmeer, ontving er opnieuw, maar nu voor goed, het kleed van de Orde van Carmel en besteeg toen de trap-[124] pen van het altaar, om voor het ter aanbidding uitgestelde H. Sacrament de schriftelijke en eigenhandig onderteekende Geloften van Gehoorzaamheid, Armoede en Zuiverheid neer te leggen. Zijn Ouders waren dien dag getuige van zijn geluk en sloten zich geheel aan bij het offer, dat hij van zich zelven aan God bracht. Wel had Moeder er groot bezwaar tegen, dat hij eens naar de Missie zou gaan, maar dat was toen nog zoo ver, dat zij zich troostte met de gedachte, dat dit wel nooit gebeuren zou. Bij Fr. Emidius leefde echter een geheel andere verwachting, doch hij liet het Onzen Lieven Heer over, te zijner tijd den tegenstand van Moeder tegen de verwezenlijking van dat ideaal te breken.

Nog enkele dagen bleven de jong-geprofesten te Boxmeer. Toen gingen zij naar Oss om den cursus der Wijsbegeerte te beginnen. Zij kwamen hier aan den 30sten September; 2 October begonnen de lessen.

Ik herinner me Fr. Emidius nog zoo uit zijn studietijd in het klooster. Drie jaar was hij mijn leerling in den cursus der Wijsbegeerte, zes jaar lang volgde hij mijn lessen in de Geschiedenis der Orde. Hij had een gezond verstand, ook aan ijver ontbrak het hem niet. Hij deed de verwachting koesteren, dat hij zijn studiën met veel succes zou maken. Maar waar het hem niet ontbrak aan ijver en inzicht, daar ontbrak het hem wel aan gezondheid en lichaamelijke kracht. Verraderlijk werd zijn gestel reeds in de eerste jaren zijner studie ondermijnd door een geleidelijk voortwoekerende tuberculose. Al lang zag hij er minder goed uit, al maanden gebruikte hij versterkende middelen zonder zichtbaren baat, toen op eens een vrij hevige bloedspuwing ten volle openbaarde, wat hem scheelde, en tegelijkertijd zijn krachten nog meer ondermijnd. Wasbleek lag hij op het witte kussen onder de witte lakens en bleef zijn kleur er weinig tegenstelling mee bieden. Heel langzaam bekwam hij van de diepe inzinking. Zoodra zijn toestand het toeliet, verhuisde hij naar een groote draaibare tent, welke voor hem en nog een anderen Frater in den tuin werd gebouwd. In die ziekte was hij weder een voorbeeld. Levendig is nog steeds de herinnering gebleven aan zijn blijmoedigheid en geduld. Ondanks zijn zwakte was hij, zijn klasgenooten [125] getuigen het nog, altijd even geduldig. Nooit hoorde men hem over iets klagen. Ja toch, een was er, overwien hij zich beklaagde. Het was de trouwe vaderlijke, altijd bezorgde Broeder Felix, aan wien de verpleging der beide zieke Fraters was toevertrouwd. Met hem had hij doorloopend “groote ruzie”, al was die ruzie van zeer vriendschappelijken aard. Groote bewondering had hij voor de goedhartigheid en onverstoorbare bezorgdheid van zijn ziekenoppasser, hiervan gaf hij, zoo niet in diens bijzijn, dat leek hem vleierig, maar ten overstaan van anderen de duidelijkste blijken. Ten opzichte van Broeder Felix zelven was zijn houding een voortdurend afweren en remmen. Maar Broeder Felix kende zijn geduldigen, niets eischenden patient en wijdde hem om zijn deugd en voorbeeldige gesteltenis nog te meer zorgen. Zoo hoog liep intusschen de ruzie nooit, dat de zieke niet deed, wat de dokter of de ziekenbroeder van hem verlangden of hem voorschreven. Hij volgde trouw den raad en de voorschriften van den dokter en zag daarin naar het woord trouwens van de Oversten, een oefening van de hun beloofde gehoorzaamheid. Nog meer blonk zijn geduld en tevredenheid uit, wanneer men van hem naar zijn zieken medebroeder ging. Ik zou dezen te kort doen, indien ik zeide, dat hij in dien tijd niet met geduld en tevredenheid zijn ziekte droeg, maar in de deugd zijn graden. En zonder aan de eene deugd te ontzeggen, kan men toch reden hebben te verklaren, dat een ander die deugd in hoogere mate bezat. Zoo was het hier. Tegenstelling was er tusschen beide zieken, maar niet in dien zin, dat aan den eene de deugd ontbrak, welke men in den andere zag – neen, doch slechts in zooverre de deugd in een van hen op zoo bijzondere wijze uitblonk, dat ze die van den andere in den schaduw stelde. Zonder dus iets ten nadeele van den anderen zieke te willen zeggen breng ik deze tegenstelling naar voren om te doen zien, hoe voorbeeldig Frater Emidius zich in zijn ziekte gedroeg, zóó voorbeeldig, dat het afstak bij de houding van zijn mede-zieke, die toch niet den minsten blaam verdient.

Op te merken is misschien, dat wel zijn ziekte hem ernstig stemde en hij in dien tijd wel soms, wat men noemt, stil was. Maar of dit een gevolg was van de ziekte, dan wel voortkwam uit andere oorzaken, is moeilijk te achterhalen. [126] Wel wil ik melding maken van enkeler vermoeden, dat hij in dien tijd ook inwendig had te lijden door angstvalligheid. Zoo dit het geval is geweest – en zijn klasgenooten meenen grond te hebben voor hun vermoeden – dan heeft hij daarover slechts gesproken met zijn biechtvader. Nauwgezet was hij zeker in hooge mate, blijkbaar heeft zijn openhartigheid en gehoorzaamheid aan den biechtvader hem echter over de niet onwaarschijnlijke aanvallen van scrupulositeit heengeholpen.

Zijn ziekte was hem onder één opzicht een zware beproeving. Hij wilde zoo graag vooruit om dan naar de Missie te kunnen gaan. En nu remde eerst de ziekte de voor het Priesterschap noodzakelijke studie en ten anderen gold hij daardoor nu zoo algemeen in de Provincie als een zwakke en voor het Missiewerk ongeschikte, dat hij vreesde, zijn idealen nooit verwezenlijkt te zien. Wel zette hij zich ook hierover heen en onderwierp hij zich niet zonder blijde overgeving aan de beschikking der Voorzienigheid, maar het kostte hem toch veel, die idealen als haast onbereikbaar voor zich te zien.

Hij had niet graag, dat men hem door de vingers zag. Ik zeide reeds, dat hem dit in voortdurenden strijd bracht met den ziekenbroeder. Maar met hart en ziel hoopte hij, dat men hem, toen de drie jaren philosophie om waren, waarvan hij den meesten tijd in bed op zijn cel of op zijn ligstoel in de tent had doorgebracht zonder veel te mogen studeeren, bij het eindexamen genadig zou behandelen en daar veel door de vingers zou worden gezien. Het zou hem zwaar gevallen zijn, indien hij nog een jaar had moeten wachten om met de studie der Godgeleerdheid te mogen beginnen.

Zijn gezond natuurlijk verstand en helder inzicht[2] in de hoofdvragen der wereldbeschouwing deden bij het afgenomen eindexamen iets door de vingers zien, wat betreft de parate kennis van formules en definities en wat al meer tot de noodzakelijke examenstof te rekenen is. 28 September 1914 begon voor hem de cursus der Godgeleerdheid. De eerste maanden volgde hij ze slechts in den geest en met de boeken in zijn tent, maar zoo geleidelijk stonden de terugkeerende krachten hem toe, zich weer eenigzins aan de studie te wijden en zoo niet alle, toch de voornaamste lessen te volgen.

15 Oktober, de feestdag van de H. Teresia, was voor hem weer een echt blijde dag. Op dien dag mocht hij met zijn klasgenooten de plechtige H. Geloften afleggen.

Twee maanden later werd hem nieuwe vreugde geschonken. 18 December gingen de nieuwe theologanten in alle vroegte naar het Minderbroedersklooster te Wychen, om daar uit de handen van den grijzen Bisschop van de Chineesche Missie dier Orde, Mgr. Hoffman, de Kruinschering en de Mindere Orden te ontvangen. En den volgende dag gingen zij opnieuw in den morgen naar het klooster van de Missionarissen der H. Familie te Grave om door denzelfden eerbiedwaardigen Missionaris–Bischop tot Subdiaken te worden gewijd.

Wordt vervolgd.



  1. Published in: Carmelrozen Vol. XIV, Dec. 1925, p. 122-126.
  2. In the publication erroneously: ‘helder in inzicht’.


P. Emidius Hilhorst, Ord. Carm.

(Gestorven in roep van Heiligheid 23 September 1923.)[1]


Het volgend jaar 1915 bracht hem den 18den Dec. in de kapel van de Bisschoppelijke Kweekschool in Den Bosch de wijding tot Diaken uit de handen van Z.D.H. Mgr. A.F. Diepen, Bisschop van het Diocees.

Maar een dag van onvergetelijke blijdschap was voor hem de lang verbeide van zijn Priesterwijding. 17 Juni 1916, Zaterdag onder het octaaf van Pinksteren, ontving hij die, ook nu uit de handen van den Bisschop van het Diocees, Z.D.H. Mgr. Diepen. Vader en Moeder mochten het beiden nog beleven en waren bij de H. Priesterwijding en daags daarna in de kloosterkerk te Oss bij zijn eerste H. Mis tegenwoordig. Hij schreide van aandoening en vreugde.

Met de grootste godsvrucht en stichtenden eerbied las hij daarna geregeld elken dag de H. Mis. Velen meenen een priester te mogen beoordeelen naar de wijze, waarop hij de H. Mis leest. Zonder dit als het beste kenmerk van zijn inwendige gesteltenis te willen laten gelden, moeten wij toegeven, dat het ongetwijfeld een aanduiding is, waaraan veel waarde moet worden toegekend. En dan sprak uit de wijze, waarop Pater Emidius zich aan het altaar gedroeg, alweer, dat hij opging in het verheven werk, daar hem toevertrouwd.

Niet aanstonds – de lessen in de Teologie waren nog niet ten einde – mocht hij zijn eerste plechtige H. Mis te midden der familie opdragen. Maar de vacantie stond toch voor de deur en bepaald werd, dat hij op het feest van Maria-ten-Hemelopneming 15 Augustus te Eemnes zijn plechtige H. Mis zou doen. Het was niet alleen een feest voor hem, ook niet een feest alleen voor de familie, neen, het was een feest voor geheel katholiek Eemnes. De Pastoor der parochie behield zich voor, dien dag de feestpreek te houden en kweet zich op roerende, geestdriftige wijze van die taak.

Al was P. Emidius nu priester, dat wilde nog niet zeggen, dat hij nu ook [138] aanstonds zijn priesterlijke loopbaan beginnen kon. De studieregeling in de Orde vordert ook na de Priesterwijding nog een jaar studie. Eerst daarna mocht hij examen afleggen ter toelating als biechtvader en prediker. De laatste jaren was zijn gezondheid geleidelijk beter geworden. Al moest hij voorzichtig blijven, hij kon toch weer met de anderen studeeren en zonder dat het thans noodig was, iets door de vingers te zien, het zou hier ook moeilijker zijn geweest, maakte hij met goed gevolg het eindexamen, ook jurisdictie-examen genoemd, voor den Hoogeerw. Pater Provinciaal en voor den Bisschop.

Einde Juli 1917 werd hem door den Bisschop de langbegeerde jurisdictie verleend en mocht hij na jaren voorbereiding zijn priesterlijke werkzaamheden beginnen. Gaarne zou hij terstond naar de Missie zijn gegaan. Maar vooreerst was zijn herstel uit een langdurige ziekte nog zoo recent en nog zoo weinig gewaarborgd, dat de Oversten er niet aan dachten, overeenkomstig dat verlangen over hem te beschikken.

Vervolgens was moeder, hoe vroom en offervaardig zij ook was, er beslist tegen, dat hij naar de Missie zou gaan; zoo ver weg, hij de roem en de glorie van het gezin, de troost in alle droefheid, neen, hem kon zij niet missen, meende zij. Er kwam ook wel bij, dat zij als moeder de overtuiging had, dat zijn gestel tegen het drukke missiewerk niet opgewassen was en hij met naar de missie te gaan, een vroegtijdige dood tegemoet ging. Ook die gedachte was haar onverdragelijk. Hoeveel moeite P. Emidius ook aanwendde, moeder was niet tot het offer te bewegen en al zou de jonge priester desondanks de stem, die hem, naar hij meende, van Godswege naar de Missie riep, zijn gevolgd, hij wist maar al te goed, dat de Ordesoversten geneigd waren met de wenschen der Ouders rekening te houden en, waar hij toch al weinig kans had, dat begreep hij wel, daar wilde hij, voorzoover het in zijn macht lag, toch tenminste dit bezwaar opheffen. “Maar, zooals zijn broer Reinier mij schrijft, het heeft hem heel wat moeite gekost, Moeders toestemming te krijgen. Moeder hield het maar steeds tegen, maar op haar sterfbed kon zij het niet langer uithouden en gaf zij tot zeer groote blijdschap van Heerbroer eindelijk haar toestemming.”

Maar nu kwam nog het allergrootste bezwaar: De Overste der Missie liet weten, dat de Paters daar bezwaar hadden tegen zijn aanwijzing voor de Missie. Men vroeg gezonde sterke Paters voor het niet gemakkelijk werk in die tropische hitte, geen Paters, van wie moest verwacht worden, dat zij er weinig meer konden doen dan ziek zijn en in plaats van hulp te bieden, in hun hulpbehoevendheid nog beslag zouden leggen op de gezonden. In één woord, zijn naam stond in Brazilië met zwarte kool aangestreept als ongeschikt.

Dat was voor hem een diepe ontgoocheling. Maar hij liet het hoofd niet zinken en verloor den moed niet. Hij voelde, dat hij geleidelijk sterker werd en hij deed alles om maar flink te lijken en naar het scheen alles te kunnen. [139] Korten tijd was hij werkzaam als assistentie-pater in het klooster te Hoogeveen, spoedig echter kwam hij te Boxmeer en na korten tijd werd hij hier aangesteld tot Kapelaan.

Deze werkzaamheid beschouwde hij voor zich wel eenigszins als een beeld van zijn later stellig verwacht Missiewerk. Eenerzijds om hier alreeds zooveel mogelijk in den geest Missionaris te zijn en Missiewerk te verrichten, anderzijds echter ook om te toonen, dat hij het werk wel aankon en men hem best naar de Missie kon sturen, werkte hij te Boxmeer niet als een zwakke, maar als een sterke, niet als een halve, doch voor twee. Hij was geheel de man naar het hart van den ouden Pastoor. Al het minder aangename werk deed hij, alsof hij niets liever deed. Hij toonde een ijver en een toewijding, een liefde en een geduld, zoo groot, dat spoedig niet alleen de Pastoor, maar heel de Parochie in hem een schitterende werkkracht zag ondanks alle praatjes over zijn zwakheid, allen van hem hielden en hem hoog vereerden. Bijzonder de kinderen en de minder bedeelde arbeidende bevolking hadden zijn hart gestolen. Met opgewektheid en onverstoorbaar geduld kon hij Catechismus geven en in zijn ijver haalde hij er alles bij, wat tot betere onderrichting kon dienen. Oude platen haalde hij van den zolder, knapte ze op en bracht ze mee naar school. Op de meest ongeschikte uren was hij ten dienste der kleinen. Uren van rust of recreatie offerde hij met blijdschap voor hen op. Bij huisbezoek toonde hij zich steeds den vriend der kindertjes en der armen. Hoe dikwijls hoorde ik, als ik nu en dan in Boxmeer kwam, met den grootsten lof over hem spreken. Men aarzelde niet, hem toen reeds een heiligen Pater te noemen.

Van den Hoogeerw. Pater Gabriel Wessels, Assistent-Generaal te Rome, die in het najaar van 1919 Boxmeer bezocht, vernam ik, dat men ook hem over P. Emidius had gesproken en men hem dezen had aangewezen als een heilige. In den zomer van 1919 kwam de Hoogeerwaarde Pater Cyrillus Thewes, Overste van de Missie in Brazilië, naar Nederland, niet het minst om jonge krachten voor zijn Missie te werven. Wel stond ook toen P. Emidius niet op het lijstje der begeerden in het land van het Zuiderkruis, stond hij daarop nog steeds aangestreept als ongeschikt, toen Pater Provinciaal in Nederland kwam en niet mee kon krijgen, die hij wel wenschte, bovendien, hoorde, dat P. Emidius nog altijd naar de Missie verlangde en te Boxmeer zoo ijverig en nuttig werkzaam was, eindelijk P. Emidius zelf bij hem kwam om zich te presenteeren en met klem van redenen voor zichzelf te pleiten, nu, ja, toen wilde de Provinciaal zijn aanbod toch niet geheel verwerpen, al huiverde hij wel een beetje voor de consequentie.

Een straal van hoop glinsterde na dit onderhoud P. Emidius tegen. Als nu een dokter maar de laatste vrees wegnam. De Provinciaal had de geruststelling van een geneeskundige geschiktheidsverklaring verlangd. Zonder zulk een geruststelling achtte hij zich niet verantwoord. Van de twee [140] doctoren, die te Boxmeer woonden, was Dr. Nuyens het best met den jongen priester bekend en ook op de hoogte van zijn zwakheid en zijn teer gestel. Maar hij achtte juist daarom Dr. Nuyens evengoed als de Medebroeders min of meer bevooroordeeld. Men meende nu maar eenmaal, dat hij niets kon en daar bleef men bij. Vertrouwend op zijn kracht en zijn sterk gevoelde roeping ging hij daarom in plaats van naar Dr. Nuyens, die eigenlijk om de relaties meer in aanmerking kwam, naar Dr. Dahmen, die – God heeft het zoo gewild – “onbevooroordeeld”, gelijk P. Emidius zeide, verklaarde, dat hij op dat oogenblik gezond was en niet ongeschikt scheen, om een niet te vermoeiend Missiewerk op zich te nemen. Met de schriftelijke verklaring van Dr. Dahmen holde hij meer dan hij liep naar het klooster terug, naar den Provinciaal van Brazilië. Diens tegenstand is daarmee gebroken. Hij wordt aangenomen: begin November moet hij gereed zijn voor de reis.

Nu was hij blij.

Zoo blij had men hem in het klooster nog nooit gezien.

Slechts diegenen, die hem nog gekend hadden in zijn eerste jaren op het Gymnasium te Zenderen, kenden hem nu in die jonge aanstekelijke vreugde, in die bijna uitgelaten blijdschap terug.

Onze Lieve Heer had intusschen het afscheid van de familie lichter gemaakt, hem als het ware reeds op deze groote scheiding voorbereid door eerst Moeder en daarna Vader tot zich te roepen.

Op haar sterfbed had Moeder, gelijk ik reeds zeide, eindelijk haar tegenstand tegen zijn vertrek naar de Missie opgegeven. Kort daarna op Allerzielendag van het jaar 1917 was zij overleden. Vader volgde haar 4 April 1919. Maar al waren vader en moeder overleden, daarmee waren niet alle banden des bloeds verbroken en daarom was het afscheid van zijn familie nog niet licht.

Zijn thuis onder de laatste vacantie voor zijn vertrek naar de Missie was het huis van zijn zuster Barbara, de oudste der acht kinderen, die aan vader en moeder Hilhorst werden geschonken, intusschen gehuwd met den heer van Dalen te Eemnes. Nog denken zij met een gevoel van weemoed, hoewel tevens van dankbaarheid terug aan de heerlijke dagen, welke hij in hun midden doorbracht. Niet zonder ontroering wijzen zij op een mooi H. Hartbeeld hun achtergelaten bij zijn vertrek als onderpand van zijn dankbaarheid voor hun hartelijke genegenheid. Ook de kindertjes zijn nog vol van die laatste weken, die Heeroom bij hen doorbracht.

Veertien dagen voor zijn vertrek uit Eemnes, einde Oktober 1919[2] hield hij in de parochiekerk een afscheidspreek. Heel Eemnes was er van onder den indruk, zoo heerlijk had hij over het Missiewerk gesproken. En toen hij na die preek met de schaal door de kerk ging om een offer voor zijn Missie, geraakte hij zelf niet minder onder den indruk over de groote giften, welke men hem gaf, zeker, op de eerste plaats om het Missie-werk [141] te steunen, maar toch ook uit vereering van zijn persoon. Men was er zeker van, een toegewijd Missionaris voor zich te zien, die elke gift in een weldaad voor de zielen zou weten om te tooveren.

Het afscheid van Eemnes viel hem dan ook, hoe zielsblij hij was, naar de Missie te mogen gaan, ontzettend zwaar. Ronduit verklaarde hij aan een zijn medebroeders: “Ik ben werkelijk blij, dat ik van thuis weg ben, ik had niet gedacht, dat het afscheid zoo zwaar was.”

12 November 1919 zou de Gelria van de Koninklijke Hollandsche Lloyd naar Brazilië vertrekken.

Hoe brandde hij van verlangen naar het oogenblik, dat de Hollandsche kust zou wegzinken en hij eindelijk de koers zou inslaan naar het land, waarnaar hij nu al meer dan dertien jaar had uitgezien.

Hij mocht van geluk spreken, dat zijn droom toch nog vervuld werd. Men kan haast niet begrijpen, dat men hem heeft laten gaan. Maar als God iemand roept, dan maakt ook zijn hand den weg effen, al schijnt hij nog zoo ontoegankelijk. En God riep hem en wilde hem langs dien weg tot de hoogste volmaaktheid voeren.

Hier was hij braaf, hier was hij voorbeeldig, te Boxmeer noemde men hem een heilige, in Brazilië zou hij het zijn.


MISSIONARIS


In den middag van 12 November 1919 voer de Gelria van Amsterdam af naar Rio de Janeiro. Aan boord waren wel 24 priester-missionarissen, van wie zes Carmelieten met bestemming voor de Missie in Brazilië. Drie hunner aanvaardden de reis voor den eersten keer. Het waren P. Leopoldus Wijsbek, die reeds vroeger onder de Indianen van Noord-Amerika was werkzaam geweest, en twee jonge Paters, beiden voor hun vertrek kapelaans der Carmelietenparochie te Boxmeer, P. Urbanus van Erp en P. Emidius Hilhorst.

Brieven en artikelen in het Maandschrift Carmelrozen hebben ons nog iets bewaard van de indrukken, welke deze reis en het verblijf in Brazilië op P. Emidius maakten.

Ja, wel met vertrouwen ging hij op reis. Hij kon zich niet anders voorstellen, of ze zouden behouden landen, want God wilde hem in Brazilië. Hij was er zeker van.

Hij maakte de reis niet om de reis, zij duurde hem lang, omdat hij brandde van verlangen, zijn missiewerk te beginnen. Maar toch miste die reis voor hem haar bekoorlijkheid niet. De heerlijkheid echter van Gods natuur voerde hem telkens weer omhoog tot den Schepper. De steile krijtbergen van Engeland, van boven bewassen met een bruin mosachtig gewas, waren voor hem, gelijk zij daar stonden in rustige rust in het rondomspattende water, beelden van innige diepe kalmte. “Zij dwingen”, schrijft hij, “het gemoed tot rust en stemmen het hart als vanzelfs tot dankbaarheid jegens den Schepper”.

De Spaansche kust voor La Coruna en nog meer die voor Vigo vervulden hem opnieuw van bewondering voor de schepping Gods. Het gezicht op Vigo noemt hij: een landschap, tref- [142] fender nog van schoonheid dan La Coruna. Op den achtergrond de groene bergen, aan hun voeten het fraaie stadje met zijn blinkend witte huizen. Daartusschen palmen, vruchtboomen en wijnbergen; dit alles wondermooi verlicht als door een geweldige vuurbaak – de zon ging juist op. – Nooit zag ik de schepping zoo schoon.”

Nadat de Canarische eilanden zijn gepasseerd, schrijft hij: “En nu dag in dag uit: hemel en water, water en hemel. Hier en daar streek ook wel een stoomboot of zeil voorbij. Eén vreugde bleef ons toch op de geheele vaart, nl. de visschen der zee. Meer en meer onthulde de oceaan zijn rijkdommen….. Zoo vonden wij in het overigens eentonig zeegezicht nog altijd afleiding.”

Dat de Braziliaansche kust hem in verrukking bracht, spreekt wel vanzelf. Bij den heerlijken aanblik van Bahia zegt hij: “Ontroerd en stom stonden wij daar en konden slechts bewonderen.”

En dan Rio de Janeiro. De mooiste haven der wereld genoemd, althans in schoonheid wedijverend met de schoonste.

Hierover schrijft hij:

“’t Was 2 December 2 uur na middernacht, toen wij het doel onzer reis bereikten. Nog stond de zon niet boven de kimme, toch waren reeds vele passagiers op ’t dek verzameld. Een poosje verging, dan steeg de vorstin van licht en leven in zulke majesteit opwaarts, als wilde zij hemel en aarde met haar pralende glorie bedekken. De zee geleek vloeibaar goud. Haven, stad en bergen gingen getooid in ongekenden kleurenrijkdom.

Deze keurige schilderij deed haar diepe schoonheid nog inniger gelden, wijl een donker woud, groeiend tegen de granietheuvels, waardoor de stad is omgeven, een soberen achtergrond vormde. Zulks laat zich slechts beschouwen en zwijgend bewonderen, niet met de pen weergeven. De ziel voelt bij zulke overweldigende verschijningen de nabijheid en grootheid Gods en het gebed komt als van zelf op de lippen”.

In een brief aan zijn broers en zuster 15 Dec. 1919 uit Santos geschreven, vertelt hij nog van zijn emotie bij de aankomst in zijn nieuwe vaderland: “2 Dec. ’s nachts om 2 uur viel het anker in Rio. Goddank. Vóór zonsopgang was ik uit de veeren. En toen ik Rio zag in het eerste morgenlicht, heb ik gebeden voor mijn nieuw vaderland, hartelijk en oprecht. In dat uur voelde ik O. L. Heer zoo nabij, Moge God mijn gebed van dien morgen verhooren.” Een niet minder overweldigenden indruk maakte in Dec. 1920 Angra dos Reis in de nabijheid van Rio aan de kust van den Atlantischen oceaan. “Gelokt tot een beschouwing van dat natuurschoon,” schrijft hij, “vergeet ge vanzelf de muizenissen van het dagelijksch leven en voelt ge de vreugde in uw binnenste opborrelen, als sloeg de zoo nabije Meester zelf een pure bron open. De schittering der heldere zonnedagen, het fonkelen van het sterrendak in die eenig mooie nachten, waarin het maanlicht de deinende zee en het bergland een magische bekoorlijkheid oplegt, nopen tot een spontane dank- en hulde-jubel jegens den Heer.”



  1. Published in: Carmelrozen Vol. XIV, Januari 1926, p. 137-142.
  2. In the publication erroneously: ‘1916’.


P. Emidius Hilhorst, Ord. Carm.

(Gestorven in roep van Heiligheid 23 September 1923.)[1]


De eerste kennismaking met het Braziliaansche klimaat viel niet mee. Hij kwam ook juist aan voor de groote hitte. Nadat hij een acht dagen onwel was geweest van de warmte, knapte hij echter op. “Wij zijn verzoend”, schreef hij 28 Januari 1920.

“Veertien dagen ben ik in Sao Paulo geweest, welke plaats 700 meter hooger ligt dan Santos. Santos is berucht om zijn hitte. Vele paters kunnen het hier niet uithouden. Aller toevluchtsoord bij ziekte is Sao Paulo, een stad met een heerlijk klimaat. Ik ben daar geheel opgeknapt en ben nu al weer 14 dagen in Santos. Met het leeren der taal gaat het bevredigend. Ik kan me zoowat helpen. Over een paar maanden hoop ik te prediken”.

Graag, zeer graag was P. Emidius bij zijn komst in Brazilië aanstonds gegaan naar Angra dos Reis, een statie op de kust van den Atlantischen Oceaan in den staat Rio de Janeiro. Half bergland, half bestaande uit een aantal eilandjes, in den oceaan bij de kust gelegen, is deze statie wel de moeilijkste van alle, door de Paters Carmelieten bediend. De reizen naar de onderscheiden van Angra dos Reis afhankelijke parochies, hetzij ze geschieden te paard door de bergen en bosschen, hetzij ze gedaan worden in een kano of bootje over den grooten oceaan, zijn altijd in den vollen zin “reizen” te noemen, nooit uitstapjes. Juist omdat het de moeilijkste statie was, waar de werkzaamheid het meest het ideaal nabijkwam, dat hij zichzelf had voorgesteld, zou hij gaarne aanstonds daarheen zijn verplaatst. Maar niet ten onrechte oordeelde de Overste, dat hem beter een lichter post werd toevertrouwd. Slechts eens kwam hij te Angra voor een korte assistentie. Eerst was hij werkzaam te Santos, daarna geruimen tijd in Mogy das Cruzes, eindelijk gedurende de laatste levensmaanden te Itù.

Zijn eerste bestemming was Santos.

“Sinds den dood van P. Alphonsus”, schrijft hij 14 Sept. 1920 aan zijn zuster, “ben ik hier belast met de zorg voor het weeshuis. ’t Geeft veel werk, maar is pleizierig om de hartelijke toegenegenheid, die je daar vindt. Ik ben daar ’t eerst met mijn catechismuslessen begonnen. Toen mijn eerste uur verstreken was, dacht ik, dat mijn hoofd barstte. ’t Kostte me heel wat inspanning om aan den gang te blijven.”

Santos is heet.

P. Emidius bleef er met de warmte worstelen. Een tijdlang ging het goed.

Toen de zomer weer kwam, werd het echter weer gevaarlijk voor zijn gezondheid. Men dacht dan ook over zijn verplaatsing, zoodra die mogelijk zou zijn. [157]

13 October 1920 schreef P. Emidius uit Santos aan zijn broer Gerard: “Ik denk mijn verplaatsing naar Mogy das Cruzes aanstaande.”

Kort daarna volgde zijn verplaatsing naar Mogy das Cruzes. De Provinciaal durfde hem om zijn wankele gezondheid niet blootstellen aan een tweeden zomer in het heete Santos en zond hem naar frissche Mogy. 10 Dec. 1920 schreef P. Emidius aan zijn zuster en zwager over zijn nieuwe standplaats: “’t Is daar niet zoo warm als in Santos en voor mijn gezondheid beter…. Door mijn verplaatsing heb ik de zielzorg gekregen van Quararema met bij-parochie. Ik ga er iederen Zondag heen, ook in de week, als ’t noodig is.”

Zelf schetst hij in een zijner artikelen het arbeidsveld, waarvoor hij stond. Te Mogy das Cruzes wonen drie geestelijken, een Brazilliaansche Pastoor en twee Paters Carmelieten. “Ons terrein”, zoo schrijft hij, “heeft een lengte van 60 kilometer, een breedte van ongeveer 50. Het zielental overschrijdt de 30.000. Zeven dorpen kunnen per trein bereikt worden, de overige twaalf nederzettingen te voet of te paard. Ieder uwer begrijpt, dat zulk een aantal zielen over zoodanige oppervlakte verspreid, door slechts drie priesters onmogelijk van toereikenden geestelijken steun voorzien kan worden. De klimatologische gesteldheid van ons gewest, zijn steile soms ook drassige wegen gedoogen daarbij geen snelle verplaatsing, wat de bediening zeer bemoeilijkt.”

Over enkele tochten hebben wij een mededeeling gevonden.

25 Januari 1921 getuigt hij, tengevolge van de vermoeienissen van den vorigen dag nog niet geheel zichzelf is. Hij was op dienstreis geweest in het binnenland. Gelukkig, hij had twee kindertjes mogen doopen en meer dan 40 H. Communies uitgedeeld. Hij was zeer voldaan, al had hij om nog den trein te halen in galop terug moeten rijden met het gevolg, dat hij daags daarna niet kon zitten van de blaren en de pijn in den rug.

“Best te dragen, hoor”, schrijft hij. “’t Zijn van mijn kleinste kruisjes.”

Op een kaart, die van 23 Dec. 1920 schijnt, vertelt hij van een anderen vermoeienden tocht vanuit Mogy: “Ik ben zoo juist van een dienstreis thuisgekomen. Gisteren morgen om halfzes ging ik te paard weg en na een rit van 3 uur heb ik om ruim 9 uur in een kapelletje te Beritiba Ussú een H. Mis gelezen. Daarna weer te paard (ongeveer een uurtje) om een zieke te bedienen. Toen ik weer aan mijn kapel kwam, heb ik 33 biechten gehoord. Ongeveer de helft had in 2 tot 3 en meer jaren geen Sacramenten ontvangen. De zon heeft me erg verbrand. Ik heb nu de ondervinding opgedaan, dat paardrijden berg op berg af niet meevalt.”

Voortdurend was hij op reis.

“De vraag naar onze diensten te Mogy das Cruzes, schrijft hij, was in Juni en Juli 1921 zoo overstelpend, dat geen tijd restte. Dan, de dienstreizen zijn soms van dien aard, dat bij thuiskomst wegens vermoeidheid niet aan pen en inkt gedacht wordt. ’t Gebeurt, dat veertig kilometer en meer op één dag moeten verreden worden." [158]

En dan spreekt hij van een pauze als van een dolce far niente, terwijl hij alleen is achter gebleven, omdat de Overste P. Brocardus de Vlieger, te Itaquera een missie preekt.

Hij zou langer rust behoeven.

Al had hij einde 1920 geschreven, dat Mogy das Cruzes beter was voor zijn gezondheid, ook te Mogy moest hij het ten slotte opgeven. Had hij zich wat meer ontzien, misschien was hij op de been gebleven, maar zich ontzien en Pater Emidius waren nu eenmaal twee dingen, die niet bij elkaar te brengen waren dan door streng bevel der gehoorzaamheid en dan speelde het gebrek aan onderscheidingsvermogen met betrekking tot hetgeen zijn krachten veroorloofden, hem zoowel als zijn Oversten toch nog weer parten, booze parten. Zoo overwerkte hij zich ook te Mogy das Cruzes, werd er in elk geval zoo ziek, dat de Provinciaal hem voor herstel naar Itú zond, waar hij wel weer wat zou opknappen, maar om er ten slotte weer ziek te worden en te sterven.

Te Itú trof hij weder zijn vroegeren medekapelaan te Boxmeer, P. Urbanus van Erp, van wien wij nog menige levensbijzonderheid mochten vernemen. Zijn Prior was hier P. Ambrosius Vroling, die eveneens veel mededeelde uit zijn laatsten levenstijd.

Itú is in Brazilië bekend als een stadje, waar het Katholiek geloof nog het vurigst in beoefening wordt gebracht. Het geldt als een uitverkoren plekje op godsdienstig gebied. Een voldoening voor P. Emidius was het verblijf daar in dien zin, dat hij zich in die sfeer beter thuis voelde, minder ontgoocheling zag, maar men overschatte dit toch niet. Zooals hij zelf meedeelt, de werkzaamheid der Paters beperkt zich ook te Itú niet tot de plaats Itú alleen. Jacuhú, Baria-de-Bairretto en andere bijstaties worden op haar tijd bediend. Het bezoeken dezer staties brengt velen moeilijkheden en vraagt soms groote offers. De wegen zijn uiterst slecht en gevaarlijk door ongedierte.

Bij het groote gebrek aan priesters kan het ons niet verwonderen, dat door velen, die toch den schat des geloofs nog hebben bewaard, hun komst op hoogen prijs wordt gesteld. Niet zelden, zoo verzekert ons P. Emidius werd hij in de leemen hutten, waar hij zieken en stervenden genood en ongenood opzocht, opgetogen ontvangen. En hij voegt er bij ter kenschetsing zijner eigen opgetogenheid: “Meermalen heb ik met vreugdetranen mijn laatsten dienst een stervenden bewezen. Niets beweegt me zoozeer als een doodkranke gelukkig te zien.”

Later schreef hij nogmaals over die bedieningen en bekende hij, die handeling nooit te verrichten “zonder tot in het diepst mijner ziel geroerd te worden.”

“Onze zieken”, zoo voegt hij er bij “toonen zich immers zeer dankbaar. Is ’t, wijl zij weten, dat wij een zwaren dag hunnentwege doormaken; is ’t dat zij zich gesterkt gevoelen door de genade, waarvoor wij een instrument zijn? Het mag zijn, om welke reden dan ook, bijna immer verliet ik de zieken, overgegeven aan Gods H. Wil. Eens uitte mij een stervende zijn [159] vreugde aldus: “Nu durf ik voor den rechterstoel van God verschijnen.” Immer aanvaard ik dan ook de thuisreis opgewekter dan de heenreis, want ik draag de overtuiging in mij, te hebben mogen medewerken tot iets goeds. En zoo wordt onze arbeid door zulke voorvallen niet alleen verzoet en beloond, maar wordt de arbeid zelf ons een groote weldaad, een gunst. “

Na een paar treffende voorbeelden van innig geloofsleven onder de Braziliaansche bevolking te hebben vermeld, kan hij de ontboezeming niet inhouden: “ Wat is ’t toch mooi, te leven op aarde, waar de enting van het godlijk leven in onze natuur ons één maakt, kinderen van één Vader.”

Na het feest van O. L. Vrouw Onbevlekt Ontvangen, door hem meegevierd te Angra dos Reis, nadat men hem eerst het donkerst tafereel had opgehangen over de uiterlijkheid der feestviering zonder ziel en geest, schreef hij met oprechte vreugde, dat de taxatie er Goddank neven was. Hij noemt dan enkele punten uit de feestviering, die ware voldoening gaven. “Echt bekoorlijk was ‘t, te zien, hoe na het lof de kinderen zich in gesloten kringen schaarden rondom het praalbed der “Geheel-Schoone” en met smeekend gevouwen handjes een liedje zongen van simpele woorden, maar in den mond dier onschuldigen uitklinkend tot zoo’n heerlijken jubel.” Een tweede lichtpunt was de Maria-congregatie: Vooral de ‘filhas de Maria’, een congregatie van meisjes, die de hoop en glorie is van Angra, toonden door opkomst en groot aantal H. Communies, dat zich hoopvol bewaarheidt: ‘ende desespereert nooit.’ Toen ik bij het H. Evangelie haar een woord van lof en volharding toesprak, ging het van harte. Wie zou zich ook niet verheugen, de eerste rijpe vruchten te zien in een tuin, jarenlang noest bearbeid, soms met hoop tegen alle hoop in?”

In een brief uit Itù geeft hij nogmaals uiting aan zijn vreugde over de deelname der bevolking aan de kerkelijke plechtigheden, begint hij zelfs de Brazilianen te verheerlijken boven de koude Hollanders: “De Goede Week is weer aanstaande en dat geeft te Itù een geweldige drukte. Duizenden komen dan van verre uit de bergen en van tusschen de koffie-plantingen om de plechtigheden van de Goede Week bij te wonen. Wat een verschil met Holland…. O, wat leven ze hier mee met onze schoone plechtigheden! Maar…. ik spreek nu van Itú, hoor. Dat is het Rome van Brazilië. Er zijn hier veel brave menschen.”

Een bijzonder kenmerk van zijn Missie-arbeid was steeds een groote en hooge waardeering van het werk van anderen. Van velen, die met hem werkzaam waren, mocht ik dit vernemen. Hij werkte graag, deed gaarne iets goeds, maar had in geenen deele het gebrek, alles alleen te willen doen en naijverig te zijn op het goede, door anderen gedaan.

In een artikel uit Santos spreekt zijn groote bewondering bijv. voor de Zusters van het H. Hart van Maria, die er een tehuis voor weezen en vondelingen bedienen, door hem genoemd “een waarachtige weldaad voor Santos.” Elken morgen ging hij daarheen. [160] “En, schrijft hij, “telken morgen bij ons bezoek moeten wij bewonderen die zorg en ijver der Zusters. U moet haar zien dribbelen tusschen die gele, zwarte en blanke kopjes, zij koesteren ze zoo moederlijk. Wat een leven toch voor de Zusters. Van ’s morgens tot ’s avonds, ja, ook des ’s nachts tusschen die peuters. En dan, kinderen zijn kinderen…., Dag in dag uit dit leven van offer….”

Toen[2] Pater Urbanus van Erp, zijn medehelper te Itú , een congregatie van jongelingen had opgericht gaf hij zoo oprecht uiting aan zijn blijdschap met de woorden: “En succes heeft hij tot nu toe! Maandelijks communiceert op z’n minst 4/5 van onze jongens en woont ook de vergadering bij. ’t Is een prachtig gezicht, wanneer ze te zamen in het priesterkoor staan. Zooveel jongelui, die vereend, openlijk hun katholiek geloof betuigen, is een kostbare zeldzaamheid in Brazilië.”

En toen eenigen tijd later Pater Ambrosius Vroling, eveneens te Itú, een congregatie van mannen oprichtte, schreef hij mij niet minder geestdriftig: “Hij heeft in onze kerk de “Liga Jezu Maria, José” opgericht. Verleden week is de eerste vergadering geweest. 200 Mannen (dubbel onderstreept) waren er! Ruim tweehonderd mannen. Itú zelf staat verstomd. De kerk was stampvol met louter mannen. Dat is iets.”

Hij deed ook zijn uiterste best, Braziliaan met de Brazilianen te zijn en zooveel mogelijk tot hen af te dalen. Bij zijn bezoeken aan de arme hutten op het platteland paste hij zich aan hun gebruiken aan: “Ik weiger nooit in de hutten dier armen koffie drinken. ’t Staat me wel eens tegen, want de zindelijkheid …. Ik drink altijd maar dapper mijn kopje leeg, neem soms zelfs een tweede, want de menschen hebben graag, dat je doet, alsof je thuis bent.”

Bij een H. Mis te Baroso in de buurt van Mogy das Cruzes zongen de menschen, gelijk P. Emidius schrijft, “hun” liederen volgens “hun” compositie. “ Ik waardeer hoogelijk,” zoo vervolgt hij, “den geschoolden zanger. Toch ontroeren mij immer diep de niet-schoolsche gezangen dier ruwe eenvoudige stemmen. Hun melodieën, met een vrij en oprecht hart gezongen, zijn treffend.”

Een lichtpunt in zijn missiewerk is de groote godsvrucht der Brazilianen tot Maria. Zijn vreugde hierover en zijn vertrouwen daarin doen hem kennen als den waren Lieve-Vrouwe-broeder. “De liefde tot Gods Moeder,” schrijft hij, “zit den Braziliaan in merg en been”. Na een schildering van de Maria-devotie in dit land sinds de tijden zijner ontdekking en van de eerste geloofsprediking, vervolgt hij: “Deze kinderlijke vereering der voorouders beloont thans O. L. Vrouw door Brazilië niet geheel te laten ondergaan…. Dat Brazilië nog niet is overrompeld door de grofste leugens over ons H. Geloof, wij danken het Maria.”

Aan de bevordering der Maria-vereering door zijn Ordebroeders en zichzelven schrijft hij het succes toe, dat bijv. te Itú, zijn laatste standplaats, hun werkzaamheid heeft. “Ter oorzake der Maria-vereering werd ons kerkje te Itú na zijn heropening aanstonds druk bezocht.”

Wordt vervolgd.



  1. Published in: Carmelrozen Vol. XIV, Feb. 1926, p. 156-160.
  2. At this point, Titus Brandsma inserts two paragraphs from the first article on Fr. Emidius Hilhorst, from 1924.


P. Emidius Hilhorst, Ord. Carm.

(Gestorven in roep van Heiligheid 23 September 1923.)[1]


Veel, heel veel had hij over voor den luister van Gods huis, maar bij den verschrikkelijken nood, waarin vele parochiën verkeeren, gaf hij er verre de voorkeur aan, voor dringend noodig goede werken tot het heil der zielen dan voor wel schoone, maar door Onzen Lieven Heer lang niet zoo dringend geeischte versiering van de kerken, mits deze net en zindelijk waren. Toen hij te Itù was, schreef hij over het meer dan eenvoudig kerkje aldaar: “Ik voelde mij in dat eenvoudige dorpskerkje echt thuis. Och waarom ook schatten gelds besteed aan rijke ornamenteering, dure altaren enz. O. L. Heer, die zelf zijn eerste kerk koos in een open veestal, is met deze zindelijke, eenvoudige woning hoogst tevreden. Doch geen kosten gespaard, om de “levende tempels” voor God te behouden, om bijv. de verpesting van Brazilië in een ongeloofelijke massa kranten-vuil te stuiten door het desnoods kosteloos verspreiden van katholieke kranten.”

Het gebrek aan een goede pers in Brazilië voelde hij sterk.

Wat hij in deze richting nog had willen doen, zoo God hem de kracht had gegeven, blijkt o.a. nog uit een brief aan zijn familie 19 Aug. 1921: “Ook houd ik veel van studie, want die is mij noodig om later, zoo ’t God belieft, te kunnen schrijven in tijdschriften of couranten. Voor het Braziliaansche Maandschrift “O Messageiro” ligt nu m’n tweede artikeltje klaar. Het kost me wel moeite in een vreemde taal wat op te stellen…. Tenslotte, hier in ’t groote Brazilië is nog niet eens een katholiek dagblad, terwijl er overvloed is van neutraal en ongodsdienstig gedoe. Zoo God me krachten geeft, hoop ik mijn weinige talenten ook voor dit doel te gebruiken.”

Was hij steeds de vriend van de lijdende en de kleinen, in Brazilië toonde hij zich bijzonder hun vriend. Waar het gold, de kleinen te onderrichten, de arme bevolking ter wille te zijn, P.Emidius was altijd klaar. Hij stelde er een eer in, hen te dienen. En toen hij de gelegenheid kreeg, de melaatschen bij te staan, was hij in den hemel.

“Er zijn van die dagen in het leven,” schrijft hij, “die als een boom op de vlakke heide boven het alledaagsche uitsteken. Zij hebben iets magnetisch, dat bij het overzien van het verleden [168] altijd het oog naar zich trekt. Zoo’n dag zal me ook zijn, dien ik bij de melaatschen doorbracht. Was ’t de onmetelijkheid van ellende, die ik zag en de ontstelling, die mij beroerde, was ’t de overmaat van deernis, die mijn oog met tranen vulde? M’n gevoelens waren velerlei en hevige…. ’t was niet de eerste keer, dat ik daar de H. Sacramenten toediende. Ik bleef nu kalm en mijn binnenste revolteerde niet meer bij die duffe lucht en afzichtelijke wonden der zieken. O neen, de omgang met de lepra-kranken was me lang niet zoo ondragelijk, als ik ’t mij had voorgesteld. En… O. L. Heer leeft ook hier…. Ik wilde, dat gij de blijdschap en dankbaarheid van mijn melaatschen gezien had. Verre er van, dat hun wonden mij voorgoed afkeerig hebben gemaakt, ik verlang m’n kranken spoedig weer te zien. Wat bezit ons mooi geloof toch een kracht, dat het zelfs op de wegterende trekken der melaatschen nog vreugde kan tooveren. En dan die dankbaarheid dier ongelukkigen voor het weinige, dat ik voor hen had kunnen doen. Terwijl ik hen verliet, staken ze hun armen in de hoogte en riepen maar aldoor: “Geloofd zij Jezus Christus,” “God loone het U”, enz. totdat ik de deur der kapel bereikte en deze diep ontroerd achter me sloot. Waarlijk, ’t is me een onvergetelijke dag geweest.”

P. Urbanus van Erp, zijn trouwe vriend reeds in Boxmeer, te zamen met hem naar Brazilië vertrokken en daar het laatste jaar weer met hem samen te Itú, van nabij getuige van zijn deugd en gedurig streven naar volmaaktheid, verhaalt, hoe hij dikwijls in bewondering heeft gestaan voor de hooge deugd van zijn Ordebroeder, maar nog meer – hij kende hem al zooveel jaren – over de wonderbare vorderingen, welke hij op den weg der deugd maakte in zijn missie-arbeid. Geregeld legde P. Emidius hem zijn zielsgesteltenis bloot en daaruit sprak telkens vooruitgang en een onvermoeid streven, steeds volmaakter de hooge roeping, hem door God geschonken, te vervullen. Hij had geen rust. Zijn hooge opvatting van de taak van een Missionaris prikkelde zijn ijver, steeds stipter en offervaardiger de honderden kleine bezigheden te verrichten, welke het leven van iederen dag daar voor hem bracht. Ronduit verklaarde P. Urbanus, dat naar zijne meening de missie voor P. Emidius de weg ten hemel is geworden en hij er slechts op bedacht was, dezen weg te houden zonder, zooveel het hem mogelijk was, één oogenblik het verheven doel, waarmee hij missionaris werd, uit het oog te verliezen. Hij wilde een heilig missionaris zijn.

Tot werken in de Missie voelde hij zich geroepen, en al waren de uren van gebed voor hem geliefde en kostbare uren, hij begreep, dat met bidden werken moest samengaan en schreef dat ook aan anderen, om hen zijn leven beter te doen begrijpen. Zoo schreef hij nog aan zijn familie:

“Ik hoop, dat ge niet ontsticht zult zijn over mijn bestellen van boeken. Men moet zich ons niet voorstellen als wezens, die alleen kunnen leven van water en brood en dag en nacht doorbrengen in visioenen en het beschou- [169] wen van hemelsche zaken. Niet iedereen roept O. L. Heer tot zoo’n hooge trap van heiligheid.”

Typisch is, wat hij over die heiligheid reeds vroeger schreef in een brief, nog uit Hoogeveen aan zijn broer Gerard gericht. Hij spreekt daar over een kloosterzuster uit de familie: “Als ze zoo voortgaat, als ze begonnen is, krijgen we nog eens een heilige in de familie. Niet, dat ze al knapjes wonderen kan doen, want daar bestaat de heiligheid niet in. Maar zij dient O. L. Heer met zoo groote opgewektheid en zoo vurig, dat het mij voorkomt, dat God haar heeft uitverkoren tot een werktuig voor zijn Glorie.”

Hij had die woorden over zichzelven kunnen schrijven.


ZIJN STERFBED.


Zooals het te Santos en te Mogy das Cruzes was gegaan, zoo zou het ook gaan te Itù.

Maar driemaal is scheepsrecht.

Den derden keer zou zijn scheepje de haven inschieten.

Ook te Itù bleek zijn liefde grooter dan zijn kracht.

Ruim een half jaar was hij daar. Hij was geleidelijk weer wat opgeknapt en meende nu ook weer alles te kunnen. Had het bevel van den Prior hem niet geremd, hij was reeds eerder bezweken.

’t Was op den feestdag van den H. Antonius.

In de parochiekerk van Itù was een plechtige H. Mis. De Prior en P. Benignus zouden bij de plechtigheden assisteeren. P. Emidius bleef alleen thuis.

Nauwelijks was de Prior vertrokken, of men kwam een pater roepen voor een bediening, heel ver weg. Eerst was men geweest bij de Paters Jezuïeten, doch bij hen was niemand beschikbaar gevonden en had verwezen naar den Carmel.

Er kwam wel eenige twijfel bij P. Emidius op, of hij niet te veel zou vragen van zijn krachten, want het was wel een paar uur rijden heen en nog een paar uur rijden terug. Maar hij gevoelde zich goed. De Prior had hem dit niet verboden. Vragen kon hij het niet. Hij was blij, dat hij helpen kon. Hij was eigenlijk blij, dat de Prior niet meer thuis was, want dan…. nu ja, dan was het misschien als te zwaar voor hem geweigerd. Hij bedenkt zich niet lang. Om tien uur zit hij in het zadel. Om half vier was hij terug, dood op.

Terwijl des avonds de Prior en P. Benignus weder bij de avondplechtigheden assisteerden, kwam men nogmaals een pater halen voor de bediening van een jongen, niet zoo ver weg, die plotseling zeer gevaarlijk ziek was geworden en wiens bediening haast vroeg.

P. Emidius meende niet te mogen weigeren en haastte zich er heen, al bonsde en klopte het in zijn hoofd en in zijn hart zóó erg, dat hij later bekende, dat, terwijl hij dien zieken jongen bediende, men het hem ook wel had kunnen doen. Zoo voelde hij zich aan het einde van zijn krachten.

Den volgenden dag zou hij naar Sao Paulo gaan om na den eersten rustkuur te Itù daar nog eenigen tijd rust te houden. De inspanning van den vorigen dag was echter te groot geweest. [170] Wel vertrok hij den volgenden morgen naar Sao Paulo, maar hij kwam er met hooge koorts aan en moest dadelijk naar bed. Drie weken lang bleef hij hier. Voor het feest van de Madonna van Carmel, half Juli, zou hij weer te Itu zijn. Het verblijf in Sao Paulo bracht wel een kleine verbetering in zijn gezondheidstoestand, maar zijn weerstand was nog uiterst gering. En de terugreis naar Itu vroeg weer zooveel inspanning, dat zijn weerstand gebroken werd en hij er nog zieker terugkwam, dan hij was vertrokken. De auto, waarin hij des morgens 8 uur uit Sao Paulo vertrok, verdwaalde onderweg, kwam op ongebaande wegen en kwam in plaats van 12 uur eerst om 4 uur te Itu na een reis, die den sterkste half geradbraakt zou hebben.

Na die reis werd de toestand bedenkelijk.

Een hevige long-aandoening met bloedspuwing bracht hem einde Juli aan den rand van het graf en hij begon nu ook zelf in te zien, dat zijn toestand gevaarlijk werd.

Het ontstelde hem echter in het geheel niet.

Hij was niet bang voor het leven, maar evenmin voor den dood. Begin 1920 had hij aan de familie geschreven, zinspelend op de vele zelfmoorden in Brazilië: “De menschen schijnen hun leven moe. Ik nog niet.” En in zijn laatste ziekte herhaalde hij: “Gaarne een nieuw leven van strijd en arbeid te aanvaarden.” Maar hij liet het geheel over aan God. Hij wilde beslist niet, dat men bad, dat hij weer beter mocht worden. Hij wilde niets anders, dan wat God beschikte, alleen, wat hem zalig was. En als men dan zeide, dat er zoo’n gebrek aan priesters was en er nog zooveel gedaan moest worden, dat men hem niet missen kon, dan was onveranderlijk zijn antwoord: “Laten we dat maar overlaten aan O. L. Heer.”

Hij wilde leven voor de Missie. Hij wilde ook voor haar sterven. Gelijk het God behaagde. Maar gaarne, heel gaarne bracht hij voor haar het offer van zijn leven.

Hij was met die gedachte al jarenlang vervuld. Hij was geheel vertrouwd met de gedachte aan den dood. Onder zijn medebroeders was er een, dien die gedachte bijzonder schrik aanjoeg en die daarom maar liefst niet over den dood hoorde spreken. En als P. Emidius dan bij gelegenheid zijn hart eens uitstortte en zeide, graag te willen sterven, ja, min of meer begeesterd werd door de gedachte, zijn jeugdig leven aan God te mogen brengen, kon die andere Pater dat soms nauwelijks verdragen en werd het tusschen beiden een heel dispuut, of hem dat oprecht gemeend was.

Of het hem oprecht gemeend was? Het bleek wel sterk, toen het op daden aankwam.

Terwijl anderen treurden, omdat hij zoo vroeg van hen heenging, hij, een van de jonge krachten, een van de tot alles bereiden, was hij blij en noemde hij zich een uitverkorene, omdat hij sterven mocht, zijn jonge leven geven kon, wat meer vrucht moest opleveren dan alle leven, de nauwste aansluiting was aan het werk der Verlossing, volbracht door den dood op het Kruis.

In die gesteltenis moest hij de laatste [171] zware ziekte wel voorbeeldig dragen. Zij, die er getuigen van zijn geweest, noemen hem daarin een toonbeeld van geduld, in die mate, dat zijn houding allen met eerbied en bewondering vervulde en verschillende niet-practiseerende katholieken, die hem in dien tijd bezochten, tot betere gedachten bracht, deed biechten en een nieuw leven deed beginnen. Eén, die jaren niet gebiecht had, vertelde mij P. Urbanus van Erp, gaf na een bezoek aan P. Emidius in zijn ziekte, den wensch te kennen, terstond te biechten. P. Ambrosius en P. Benignus schreven of vertelden mij eveneens van personen, die niets meer van hun godsdienstplichten wilden weten en aan zijn sterfbed tot inkeer kwamen. De dokter, evenmin practiseerend, stond ten hoogste verwonderd en verbaasd over zooveel gelatenheid en geduld en noemde den Pater als “iets bijzonders.” Hij kon beter dan alle anderen vaststellen, hoeveel hij leed en op welke zware proef hij werd gesteld. O, zeker, pijn had hij eigenlijk niet, maar erger dan de felste pijn was de voortdurende benauwdheid. Hij kon geen adem krijgen. Telkens moest men met den zuurstof-inhalator hem weer de noodige zuurstof inpompen.

Naar het getuigenis van den Prior was zijn benauwdheid vaak verschrikkelijk om aan te zien en het tegemoetkomen daaraan haast nog grooter marteling.

(Slot volgt.)



  1. Published in: Carmelrozen Vol. XIV, March 1926, p. 167-171.


P. Emidius Hilhorst Ord. Carm.

(Gestorven in roep van Heiligheid 23 September 1923.)[1]


Hoe ellendig echter ook, steeds bleef hij welgemoed. Zijn kracht zocht hij in het kruis, dat naast hem hing aan den muur, terwijl een blik op het beeld der kleine H. Teresia, waarvoor altijd een bloempje moest staan, hem met nieuwen moed vervulde, het liefdevuur, dat in hem brandde, weer feller scheen te doen oplaaien.

Slechts een heel enkelen keer bracht de koorts hem aan het ijlen. Hij wilde toen zijn koffers gepakt zien om naar Holland te gaan. Het duurde slechts korten tijd.

De vraag van den Prior, of hij niet liever naar de kleine H. Teresia zou gaan, riep hem weer tot het bewustzijn terug met het antwoord: Ja, dat is beter. En blij uitte hij zijn verlangen, als jongste broertje met dat uitverkoren zusje te spelen in den Hemelhof.

Tot het laatst mocht hij zich verder in het bezit zijner geestvermogens verheugen. Wel kwamen soms beangstigende voorstellingen het gewone bewustzijn van zijn geluk en uitverkie- [184] zing voor korten tijd storen. Eens belde hij, wat hij anders nooit deed. Hij wachtte wel, tot men weer bij hem kwam. Maar eens belde hij. De Prior spoedt zich naar hem toe en vindt hem schreiende. En als hij den Prior ziet, roept hij: “Ik kan niet meer, ik kan niet meer, de kelk is vol.” Wetend, hoe hij er steeds naar streefde, zich gelijkvormig te maken met Jezus aan het kruis, neemt de Prior zijn kruisbeeld en zegt hem: “Zie naar het kruis.” Een blik daarop hergeeft hem zijn kracht. Dan wijst hem de Prior nog op zijn kleine “Bloem” en het is, of zijn hart weer met vreugde wordt overgoten. De kalmte is teruggekeerd.

Eens toen zijn ziekte hem weder hevig deed lijden, trachtte de Prior hem te bemoedigen met hem er op te wijzen, hoe het nog slechts kort kon duren en hij dan verlost zou zijn voor eeuwig. Dat woord: “eeuwig” trof hem op zoo geweldige wijze, dat hij als in vervoering riep: “ O, eeuwigheid, eeuwigheid!” Aan die gedachte bleef hij minutenlang gebonden. ’t Scheen toen, aldus de Prior, dat in zijn geest de onzekerheid zich opdrong, of hij wel een gelukkige eeuwigheid tegemoetging en de duivel zijn geest met allerlei voorstellingen bezocht.

Toen de Prior hem in verband daarmede voorhield, hoezeer hij mocht vertrouwen op een gelukkige eeuwigheid, zeide hij: “’t Is zoo, maar eeuwig, eeuwig.” En lang nog bleef die gedachte aan de eeuwigheid zijn geest bezighouden, al kwam spoedig weer het blijde bewustzijn terug, dat God hem tot een eeuwig geluk had uitverkoren.

Hij dacht ook nog aan zijn zuster en broeders in het vaderland en slechts één verlangen bezielde hem, ook hen allen eens bij zich te zien in den hemel.

Wij willen zijn laatsten brief hier in zijn geheel afdrukken. Zijn gesteltenis spreekt er zoo duidelijk uit:

Itù, 17 Aug. 1923.

Feest v.d. H. Emygdio.

Beste Broers en Zuster,

Ik hoop, dat volgende regelen U niet te zeer zullen bedroeven en gij U aan Gods H. Wil zult onderwerpen.

Op het oogenblik ben ik ziek, zoo ernstig ziek, dat mij de laatste H. Sacramenten zijn toegediend. Dit is intusschen al meerdere dagen geleden. Mijn toestand is op ’t oogenblik iets beter, doch blijft nog zeer gevaarlijk. Wat Onze Lieve Heer met mij doen wil, kan ik dus nog niet zeggen. In ieder geval, ik ben zeer tevreden, wat onze goede Hemel-Vader ook beslissen moge. Gaarne wil ik bij God zijn in den hemel, doch ook zal ik gaarne een nieuw leven van strijd en arbeid aanvaarden.

Mijn ziekte is een hevige long aandoening, die gepaard gaat met voortdurende koortsen. Pijn heb ik niet. Beste Broers en Zuster, – omdat de goede God in Zijne H. Voorzienigheid weet, wat het beste is, zoo laten wij ons geduldig en vol overgeving aan Zijn H. Wil onderwerpen. Aan mijn Overste zal ik vragen, U van nu af iedere week eenig bericht te sturen.

Ten slotte een ernstig woord. ’t Is mogelijk, dat deze regelen de laatste zijn, die ik tot U richt. Daarom vermaan ik U met een ernstige broederlijke liefde, steeds God te dienen vóór [185] en bóven alles. Laat Uwe huizen toewijden aan het H. Hart van Jezus.

Maakt van Uw leven geen beteekenlooze zaak, doch denkt er aan, dat het leven de weg is, waar wij een Eeuwigheid moeten verdienen.

Ten laatste: ik heb nog één verlangen. Gaarne zou ik nog éénmaal het H. Misoffer willen opdragen. Ik bid tot de kleine Zalige Zuster Teresia van het Kindje Jezus, dat Zij mij deze gunst van God verwerve. Wilt U ook tot deze intentie bidden.

Dan Broers en Zusters, voor U allen Gods besten zegen en een hartelijken handdruk. Tot ziens, hetzij hier op aarde, hetzij bij God.

Uw U allen innig-liefhebbende broer

p. fr. Emygdio Hilhorst,

Ord. Carm.

Het was zijn afscheidsbrief.

6 Sept. schreef hij nog een kaart met enkele woorden aan zijn broer Gerard o.a.: “Nog lig ik in den lappenmand. Een langdurige ziekte, hé? Maar Gods Wil zij geprezen.”

En 7 Sept. volgde nog een kaart aan zijn zuster met ook slechts enkele regels, waaronder over zijn ziekte: “Nog immer ziek, zwak en misselijk. Nog zegt O. L. Heer niet, wat het zal moeten zijn. Ik geef me geheel aan den lieven Heer over en wacht maar af.”

Niet lang meer zou hij in het onzekere verkeeren. De Prior deed hem verstaan, dat de dokter gezegd had, dat hij niet meer beter zou worden. Ernstig heeft hij zich toen beklaagd bij den Prior, dat deze hem dit niet eerder had gezegd. Hij had zich dan nog ernstiger en beter kunnen voorbereiden. Intusschen dankte hij den Prior, dat hij het toen tenminste zeide. Ook nam hij aanstonds genoegen met de verontschuldiging van den Prior, dat hij nog steeds gehoopt had, dat de dokter zich vergiste en beterschap niet uitgesloten was. Alleen deelde hij die hoop niet. De mededeeling van den Prior was hem een reden tot groote, oprechte vreugde. Met verlof van den Provinciaal had hij zijn leven opgeofferd voor den bloei der Missie.

Nu wist hij, dat God dat offer had aangenomen.

Lichamelijk[2] leed hij veel. Maar blij keken zijn donkere oogen ieder aan, die binnenkwam. Vreugde lag op zijn gezicht. Hij was haast te zwak om te praten, maar hij kon toch de blijde stemming niet in zich besloten houden. “Wat ben ik blij, wat ben ik toch gelukkig…. wat ben ik toch gelukkig, zoo vroeg te mogen sterven… Onze Lieve Heer is altijd goed voor mij geweest…. Dan kom ik bij Maria, bij kleine Treeske.” Tot de kleine Heilige Teresia toonde hij steeds inniger godsvrucht. Waren zij niet één van ziel, de ontbladerde roos en deze bloem?

Pater Benignus Dissel, die zijn plaats in Itù innam, schreef deze woorden op. Hij schreef me verder nog de volgende bijzonderheden over dit stichtend sterfbed. Op Jezus wilde onze zieke gelijken. Van zijn liefde tot den gekruisten Jezus kunnen allen getuigen, die gezien hebben, hoe Pater Emidius omging met zijn kruisbeeld. Het hing dicht bij hem aan den muur, zoodat hij er voortdurend de oogen op kon vestigen. Dikwijls, vooral als het lijden erg werd, nam hij [186] het in zijn handen, streelde en kuste hij het.

Na zijn dood vond de Prior het volgende briefje, dat hij reeds geruimen tijd naar het scheen, met zijn scapulier om den hals droeg. Het was hier en daar niet meer te lezen, doch die onleesbaarheid betrof slechts woorden, die het verband gemakkelijk laat aanvullen.

Na een toewijding aan Maria en de kleine Teresia, door haar beider namen er boven te schrijven, vervolgt hij: “Heer Jezus, Gij hebt den kelk der angsten in den Olijvenhof leeggedronken tot den bodem, zou ik dan durven weigeren, daarvan te proeven? Heer Jezus, ik wil U immers gelijken?

“Uwe genade, Lieve Heer, door de voorspraak uwer H. Moeder en mijn H. Zuster Teresia.

“Zalige Teresia…. (onleesbaar)roos… mijn ziel…..(onleesbaar) uw tijd is kort, uw tijd is kostbaar. Mijn sterkte, ze berust in liefde tot Jezus.

Leve Jezus.”

In een boekje met aanteekeningen werd nog gevonden:

“Een bede uit een hart, dat zoo graag Jezus veel, veel, zeer veel, ja ook oneindig veel zou willen beminnen.” Die bede “aangeboden door Maria’s handen” luidde:

“Heer Jezus, laat mij òf lijden op deze aarde óf neem mij tot U, laat me zonder lijden niet langer leven. Heer, Heer, verhoor mij.”

Hij wèrd verhoord.

Lijden was zijn deel, al was het tegelijk zijn vreugde. Hoe blij hij was met zijn vroegen dood! Het zou verkeerd zijn, dezen voor te stellen als een weg met rozen zonder doornen.

De ziekte duurde maanden, hij werd al zwakker en al heviger werden de benauwdheden. Lichte beterschap beteekende een verlenging van het lijden niet alleen, maar ook een vermeerdering. Het liggen, dat hem slechts op één zijde mogelijk was, veroorzaakte ten slotte hevige pijn. De benauwdheid dwong hem vaak, uren halfzittend, halfliggend door te brengen in een houding, waarin het hoofd geen steun vond. In die uren dacht hij aan Jezus’ onhoudbare houding aan het kruis. Die gedachte deed hem, maar niet zonder moeite, uithouden, wat haast niet uit te houden was.[3]

Toen hij niet meer spreken kon, niet meer in staat was, mee te bidden, vroeg hij, hem telkens korte schietgebeden voor te zeggen. Toen hij niet meer in staat was met andere teekenen mee te deelen, dat hij de gebeden nog begreep en zich nog met die zijner medebroeders vereenigde, knipte hij op aanwijzing van den Prior nog een der laatste oogenblikken voor zijn dood, met het oog ten teeken, dat hij medebad.

De doodstrijd duurde anderhalf uur.

Toen zichtbaar de dood nabij was, begonnen zijn medebroeders de Litanie ter eere der kleine H. Teresia, een litanie, welke hijzelf had vervaardigd en laten drukken. Op hetzelfde oogenblik maakten de lijdende trekken plaats voor een glimlach. En in dien glimlach blies hij den laatsten adem uit.

En lachend sprak zijn etherisch lijk van het geluk, waarheen de ziel was opgestegen. [187] Diep waren allen onder den indruk van dit heiligen sterven.

Hij had weinig relaties gezocht in de stad. Bijzondere vriendschapsbetrekkingen had hij er nooit trachten aan te knoopen. Maar allen kenden en vereerden hem. En nu hij dood was, zeide men, dat een heilige was gestorven. Men bad meer tot hem dan voor hem.

En spoedig liepen er allerlei geruchten van merkwaardige uitkomsten na gebed om zijn voorspraak.

Moet men steeds de uiterste voorzichtigheid in acht nemen, waar het geldt, goede uitkomsten in verband te brengen met daarvoor gestorte gebeden of oefeningen van godsvrucht, in Brazilië is zoo mogelijk nog grooter omzichtigheid geboden. Ik bepaal me hier tot weergave van drie feiten, mij door geloofwaardige medebroeders meegedeeld.

De Prior van het klooster te Itu, P. Ambrosius Vroling deelde mij mede, dat een zekere mejuffrouw Cintr, een zeer godvruchtige dame te Itú, kort na het overlijden van P. Emidius H. Missen bestelde uit dankbaarheid voor gunsten door zijn voorspraak verkregen. Over den aard dezer gunsten kon zij geen mededeeling doen.

Uit Rio de Janeiro verneem ik van P. Jozef Klaver een soortgelijk geval. P. Benignus Dissel had in “O Mensageiro,” het Maandschrift door Neder- [188] landsche Paters Carmelieten in Rio de Janeiro uitgegeven, een doodbericht over P. Emidius geschreven. Dit werd met groote aandacht gelezen door een dame in Rio. Ofschoon deze P. Emidius in het geheel niet kende, had zij na het lezen van de bijzonderheden van zijn leven en sterven, godsvrucht tot hem opgevat en vertrouwen gekregen in zijn voorspraak. Haar vader of haar man – dit herinnerde P. Klaver zich niet juist – lag op sterven, doch wilde niet van biechten weten. Zij wendt zich in gebed tot P. Emidius met het merkwaardig gevolg, dat de zieke een priester wenschte en goed is afgestorven. P. Patritius heeft den zieke bediend en toen deze, voor de dame zeer merkwaardige gebedsverhooring, uit haar mond vernomen.

Een derde merkwaardige omstandigheid is dagen- en wekenlang in Itú besproken. Den eersten of den tweeden dag na den dood van P. Emidius, zoo schrijft mij nog P. Jozef Klaver, heeft men te Itú een grooten vuurbol waargenomen, die aan den horizon opsteeg, den halven hemelboog beschreef en boven het klooster eenigen tijd bleef staan om langs den zelfden weg weer te verdwijnen. Den volgenden avond herhaalde zich hetzelfde verschijnsel, maar toen kwam de bol van den anderen kant. Dit feit is door vele Itúanen gezien en ook het plaatselijk blad heeft het bericht, echter zonder de vermelding, dat de bol juist boven het klooster bleef stilstaan, hetgeen intusschen niet alleen naar de verklaring van P. Jozef Klaver, doch ook naar die van den Prior, door vele betrouwbare personen is bevestigd.

Ik wensch hier met betrekking tot deze feiten op te merken, dat ik daarover niet dan een voorloopige mededeeling kan doen en alle drie nader onderzoek vorderen. Wat er intusschen in elk geval uit blijkt, is, dat P. Emidius in Itù en zelfs daarbuiten, tot in de hoofdstad Rio de Janeiro, het voorwerp is geworden van meer dan gewone vereering.

Moge deze korte schets er toe bijdragen, dat men zijn nagedachtenis ook in Nederland eert en dat vooral, door zijn woord en voorbeeld gewekt, vele jonge harten naar zijn woorden luisteren en zijn heerlijk voorbeeld volgen tot steeds verdere uitbreiding van Christus’ Rijk op aarde onder de schutse en de aanvoering van de Koningin der Apostelen, de Moeder en Luister van Carmel, de Gezegende Maagd en Moeder Gods Maria.

Tot besluit volge hier een oproep van P. Emidius zelven, gedaan in Carmelrozen, Juli 1922:

Kloeke jonge harten, Hoort! Ik luid een noodklok. In haar metaal zijn gegoten de woorden : “Gaat en onderwijst”. Iedere slag van haar klepel galmt luide deze eeuwige woorden van onzen goddelijken Meester uit. Voeren de oceaangolven de Klanken van mijn klok tot over de gouwen van mijn eerste vaderland en verstaat gij, moedige jongelingen, haar welsprekend geluid: komt dan te hulp, schaart u achter de banier van de Lieve Vrouw van Carmel!

Onder haar schutse gaan wij strijden schouder aan schouder, opdat kome en blijve en heersche hier in Brazilië: “HET RIJK VAN CHRISTUS”.



  1. Published in: Carmelrozen Vol. XIV, April 1926, p. 183-188.
  2. From this point onwards, Titus Brandsma copies his first article on Fr. Emigius Hilhorst from 1924 (p. 199-200).
  3. Here ends the copied text.


© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2021