Sint Willibrord, Apostel van Friesland

1939

Article

 

Sint Willibrord, Apostel van Friesland

[1]

 

Nu in de hoofdstad van de provincie, waar de afstammelingen van de oude Friezen in eigen taal nog steeds hun oude traditiën bewaren en gaarne terugdenken aan hun onder velerlei opzicht glorieus verleden, een bijzondere eer en hulde wordt gebracht aan Sint Willibrord, nu moge hij ook hier een oogenblik worden herdacht in zijn verhouding tot Friesland en de Friezen.

Onder de vele titels, waarop aan den grooten Apostel van Nederland en zelfs van een groot gebied daarbuiten, eer wordt geboden, blijft altijd zijn titel ‘Aartsbisschop van de Friezen’ zijn eerste en meest kenmerkende, die zelfs uitgaat boven dien van eersten Aartsbisschop van Utrecht.

Zoo heeft hem de Paus in zijn heerlijk schrijven weder aan de wereld voorgesteld. Zoo eeren hem de Kerkelijke Getijden. Zoo wijdde hem eens Paus Sergius.

Het mag niemand verwonderen, dat, nu geheel Nederland zich heeft opgemaakt, zijn Apostel te eeren, nu bepaalde streken, waar hij werkzaam was, het zich een plicht van dankbaarheid rekenen zijn gezegenden arbeid te gedenken, nu men den Apostel van Brabant in hem ziet, den Apostel en Patroon van tallooze steden en dorpen, ook de afstammelingen van de oude Friezen in het hun nog gebleven eigen gebied de oude herinneringen ophalen, welke er in hun provincie nog leven aan hem, die eerst en vooral hun Apostel wordt genoemd.

Nu de Posterijen zijn beeltenis over de wereld dragen, nu in het centrum van zijn werkzaamheid voor ons vaderland te Utrecht een zoo zinrijk ruiter­standbeeld van den monnik-missionaris wordt opgericht, nu vraagt met reden de trouwe Fries zich af, welk beeld van den Aartsbisschop der Friezen bij het Friesche volk nog voortleeft en of het er een eigen plaats mocht verwerven.

Men is er bij deze herdenking wel wat achteloos aan voorbij gegaan en heeft vaak al te gemakkelijk het Nederlandsche volk met het oude Friesche vereenzelvigd en Frieslands grenzen nu eens te eng, dan weer te ver getrokken.

Des te schooner is het, dat in de rij der huldigingen van Sint Willibrord, nu ook een is ingeschakeld in het oude Friesland en deze wordt besloten met een toespraak van den Vader der Provincie, afstammeling van een oud Friesch geslacht, Mr. P. A. V. Baron van Harinxma thoe Slooten, Commissaris der Koningin in Friesland, terwijl twee zonen van Friesland, Pastoor M. Albada Jelgersma O.F.M. van Franeker des morgens in de Sint-Bonifatiuskerk, Prof. Dr. Titus Brandsma, O.Carm. van Nijmegen des middags in de Harmonie het woord voeren.

Drie dingen treffen in het leven van Sint Willibrord als Apostel van de Friezen. Het eerste, is, dat hij is opgegroeid in de liefde tot Friesland, dat de Voorzienigheid merkwaardigerwijze hem eerst stelde onder leiding van Sint Wilfried, die zelf op zijn reis naar Rome in Friesland landde en er zoo werkte, dat zijn levensbeschrijver vermeldt, dat Sint Willibordus voortbouwde op grondslagen door hem gelegd. Wilfried moet aan Willibrord kostbare wenken voor het werk onder de Friezen hebben meegegeven, toen deze daarheen vertrok wel niet zonder zijn ouden abt en bisschop van zijn geboortestreek te hebben weergezien. Daarna stelde diezelfde onnaspeurbare Voorzienigheid hem te Rathmelsigi onder Sint Egbert, die van zijn abdij een school van missionarissen maakte en dle, al kwam een van zijn monniken, Wigbert, naar Friesland gezonden, teleurgesteld terug, niet versaagde, maar in zijn plaats twaalf andere Apostelen zond met Willibrord aan het hoofd. Mooi is dit uitgebeeld door onzen Nederlandschen schilder Frans Loots, die een zijner prenten van Nederlands Heiligen wijdde aan deze school van Sint Egbert, die zijn jonge monniken op de kaart de Friezen aanwijst als het volk, dat hun liefde hebben moet, omdat het God niet kent.

Het tweede is, hij bleef Friesland trouw. Men zegt wel eens: trouw moet blijken. Sint Willibrord heeft blijken genoeg gegeven van trouw aan Friesland ondanks alles. Toog Sint Bonifacius tot driemaal toe naar Friesland om er den derden keer stervend over te zegepralen, ook Sint Willibrord trok er tot driemaal heen, minstens, om onversaagd telkens weer opnieuw zijn apostolaat te beginnen met het blijde gevolg, dat Bonifacius en na hem Ludger mogen getuigen, zijn werk in Friesland voort te zetten en te bekronen. Als vóór hem Wigbert, als na hem Bonifatius werd ook Willibrord bij zijn eerste pogen diep teleurgesteld, zoodat hij zich gedwongen zag Friesland te verlaten en naar Denemarken toog om er een tweede teleurstelling te vinden. Van zijn verblijf in[2] Denemarken kwam hij in Friesland terug en landde op Forsetis-land, dat, al kennen we het niet met zekerheid, in elk geval tot Friesland hoorde, tot het gebied, waar de koning der Friezen Radboud oordeelde over leven en dood. Dat dit Helgoland zou zijn geweest, er voor aangezien op het gezag van een schrijver van ruim driehonderd jaar later, die er blijkbaar nooit geweest is, wordt hoe langer hoe meer onwaarschijnlijk geacht. Allerlei aanwijzingen, niet slechts de Willibrordus­-dobbe, maar nog veel meer de stichting van de oude abdij Foswerd, dat van ouds Forswerd (Forsetiswerd?) werd gespeld, verbonden met plaatselijke tradities, ook met betrekking tot Sint Ludger, doen steeds meer overhellen tot de meening, dat hier Ameland bedoeld is. In elk geval was hij weer in Friesland en gaf er bewijs van trouw aan zijn roeping van Apostel van de Friezen, door zijn leven er voor in de waagschaal te stellen.

De derde keer, dat hij naar Friesland kwam, was, toen Radboud in 719 was overleden. Was hij er twee keer geweest, toen Radboud nog leefde en had hij toen zelfs den dood getrotseerd, dan is het ondenkbaar, dat hij, die na Radbouds dood naar ‘t centrum, hetwelk hij en Pippijn juist voor hem als Aartsbisschop van de Friezen hadden gekozen, terugkeerde, vanuit dat centrum niet vele reizen naar het nu gemakkelijker en veiliger te betreden gebied heeft ondernomen.

Ligt de tijd van zijn werkzaamheid onder de Franken, in Brabant, in Thuringen, vooral in den tijd, dat hij onder de Friezen niet werken kon, daar de groote invloed van Radboud hem remde, na diens dood, moet hij, gesteund door de veroveringen van Karel Martel, de schade dubbel hebben ingehaald. Het is merkwaardig, dat zijn optreden in Friesland in de Friesche legende juist verbonden wordt met den strijd tegen de Saksers en hij daarin zelf een leidende rol speelt aan het hoofd van wel 30.000 Friezen, die de Saksers verslaan: legendarische voorstellingen, welke echter een kern van waarheid omhullen.

Het derde is: de moed zijner belijdenis ontwapende de Friezen en dwong hun eerbied af. Het staat in de herinnering van de Friezen scherp afgeteekend, dat Willibrord den moed had, hun goden en hun koning te trotseeren en dat Radboud, van wien de geschiedenis zegt, dat hij de eer der Friesche goden streng handhaafde, door den moed van Willibrord ontwapend, erkende, dat zijn woorden in overeenstemming waren met zijn daden en hem onder eerbewijzen van zich liet heengaan. Zoo sterk leefde die herinnering voort, dat deze voor Karel den Groote aanleiding werd om Sint Ludger naar hetzelfde Forsetis-land te zenden om te bekronen, wat Willibrord er was begonnen. En nog spreekt het tot het hart der stoerste Friezen, dat Willibrord, zij het door een Godsoordeel gesteund, den moed had, van zijn geloof te getuigen ook in de ure des gevaars. Zoo’n man ontwapende Radboud, zoo’n man heeft nog altijd de harten der Friezen gestolen, dwingt den Friezen eerbied af. Radboud zelf heeft Willibrord gestempeld tot den man, die in daden waar maakte, wat de Friezen zoo gaarne zeggen, dat daden en woorden moeten overeenkomen: “It is mei sizzen net to dwaen” of scherper nog: “Praten is neat, mar dwaen is in ding“.

Was Willibrord trouw aan Friesland, Friesland heeft ook de eeuwen door de vereering van Sint Willibrord bewaard. Al heeft die vereering wisselingen ondergaan, zij is oud en leeft nog heden. Naast de Willibrordus-dobbe op Ameland, waar hij volgens de traditie zou hebben gedoopt, is er in Wolsum in de late middeleeuwen een Sint-Willibrordusfontein, waarvan de juiste ligging nu met veler medewerking weder door mij is vastgesteld.

In Holwerd aan de monding, te Goinga bij Sneek aan het einde van de oude Middelzee stonden tot in de achttiende eeuw mooie kleine Sint-Willibrords-kerkjes, te Holwerd is er de toren nog van over. Dan waren er de abdijen zijner Orde, waar zijn feest werd gevierd en die tientallen kerkjes onder haar rechtsmacht hadden, die in de feesten der abdij moeten hebben gedeeld. Ik noem nogmaals Foswerd, daarnaast Stavoren later Hemelum, vervolgens de vrouwenkloosters Bethanïe en dat aan de Smalle Ee bij Drachten. Maar bijzonder merkwaardig is het, hoe de oude Friesche rechtsboeken en kronieken, welker historische waarde niet zoo hoog mag worden aangeslagen, maar waarin zich een volksoverlevering weerspiegelt, hier en daar, met voorbijgaan van een Bonifatius en van andere Apostelen, altijd weer Willibrord huldigen en eeren als den man, die door de prediking van het Christendom den grondslag legde voor den Frieschen Vrijdom. En die beteekende wat voor Friesland. Fries en vrij was synoniem.

Zoo leve hij nog voor Friesland. Houde hij het vrij van het opdringende heidendom, waarvan hij het eenmaal vrij wist te maken en brenge hij het weder dichter bij God, tot Wien het te brengen, het ideaal was van zijn leven.

T. B.

 


  1. Published in: De Gelderlander 25 November 1939, p. 13 (‘Van Ons Geestelijk Erf’).
  2. In the publication erroneously one line is placed here instead of in the following column; we present the text in the corrected order.

 

© Nederlandse Provincie Karmelieten

Published: Titus Brandsma Instituut 2022