Uit het water gered

1918

Article

 


Uit het water gered

Door Pater Dr. Titus Brandsma, Ord. Carm. Oss.[1]


Talloos zijn de verhalen over reddingen uit het water, toegeschreven aan de wonderbare tusschenkomst van Maria ten gunste van hen, die haar heilig kleed, het Scapulier van Carmel dragen.

Mogen niet alle op even groote geloofwaardigheid aanspraak maken, eenige slechts het bewijs zijn van de groote vereering en hoogachting van dit heilig kleed door het geloovige volk, er zijn niettemin feiten, welke een zoo wonderbaar verloop toonen, dat zelfs de meest critische geest, die toch de waarheid recht laat wedervaren, erkennen zal, dat er reden is, aan een wonderbare tusschenkomst des Hemels te gelooven. [56]

Vele schrijvers hebben de gedachtenis aan die wonderbare feiten bewaard, schrijvers niet slechts uit de Orde zelve, maar ook groote en geleerde mannen buiten de Orde. Onder hen neemt de Pater Jezuiet Theophile Raynaud, als geschiedschrijver bekend, een voorname plaats in. In zijn mededeelingen betracht hij de grootste voorzichtigheid. Niet alle feiten erkent hij als even geloofwaardig. Maar als aan geen twijfel onderhevig deelt hij mede, hetgeen in 1633 geschiedde met den heer de Montigny, een feit, ook door den bekenden etser en schilder Abraham van Diepenbeke in een kopergravure vereeuwigd.

De Montigny was gouverneur der stad Dieppe. In genoemd jaar ging hij over zee naar Toulon, toen eensklaps een geweldige storm den gouverneur met officieren en soldaten schipbreuk deed lijden en bedreigde met den dood in de golven. Vele officieren en soldaten vonden den dood, slechts enkele zeer ervaren zwemmers redden het leven. De gouverneur was een wisse prooi der golven, want het eenige, dat hem wellicht had kunnen redden, zwemmen kon hij niet. Hulpeloos zonk hij weg in de golven, doch hij had een hulp aangeroepen, machtiger dan alle hulp der aarde. Hij droeg het Scapulier van Maria en herinnerde zich in dat oogenblik, hoe dit zoo dikwijls een onderpand was van behoud in het dreigendst levensgevaar. Op Maria stelde hij zijn vertrouwen, tot haar nam hij zijn toevlucht en hij twijfelde er niet aan, of door haar tusschenkomst zou hem redding worden geschonken, zoo dit althans met Gods raadsbesluiten overeenkwam.

Zijn vertrouwen werd niet beschaamd. Het was, of ten spijt der branding, een onbekende kracht hem voorttrok naar het strand, of een beschermende hand tot hem was uitgestoken en hem door de woedende golven zachtkens naar den wal bracht en niet losliet, vóór hij met zijn voeten den vasten grond kon raken. Voor zijn oogen rees het beeld der Moeder Gods, wandelend op het water, het oog gericht op het onderpand harer bescherming, dat steeds en ook thans zijn borst bedekte. Op dat gezicht reikte zij hem haar hand. Hij gevoelde het, het Scapulier was zijn behoud. Aan wal gekomen, stortte hij zijn hart uit in een innige verzuchting van dank aan Maria, aan haar was hij, hij twijfelde er niet aan, het behoud van zijn leven verschuldigd.


Drie eeuwen zijn sinds deze merkwaardige redding verloopen. Nog dikwijls toonde de Moeder Gods hare macht over het water ten gunste van hen, die tot haar hun toevlucht nemen. Het zou ons te ver voeren, mede te deelen, wat geloofwaardige getuigen ons daarover verhalen.

Op één voorval slechts, van den laatsten tijd willen wij de aandacht vestigen, omdat het in zoovele punten overeenkomt met het boven verhaalde. Ook hier geldt het een krijgsman, een man, die door zijn loopbaan minder ontvankelijk schijnt voor de indrukken van bijgeloof of lichtgeloovigheid en uit wiens mond men gewoon is, de waarheid te hooren. Het is Cervera, de bekende Admiraal der [57] Spaansche vloot in den strijd om Cuba. Tegen de overmacht van Amerika was zijn vloot niet opgewassen en, hoeveel moed en beleid hij ook aan den dag legde, hij moest de vlag strijken. Nog lang hield hij stand op het Admiraalschip, dat meer dan de andere het doelwit was der Amerikaansche scheepskanonnen. Reeds was het schip in brand geschoten; de zware ijzeren dekplaten waren door het vuur, dat ze van binnen zoowel als van buiten bestookte, wit gloeiend. Het was geen houden meer op het brandende schip, dat elk oogenblik in de diepte kon wegzinken om hen, die het vuur niet had verzengd of verstikt en de kogels niet reeds wegmaaiden, met zich te begraven op den bodem der zee. Nog slechts enkele levenden hielden de posten tusschen dooden en stervenden bezet. Elk oogenblik vroeg nieuwe offers. Hier baatte geen verdediging meer. De Admiraal gebood eenieder nog slechts aan eigen lijfsbehoud te denken en door in zee te springen tenminste een poging te wagen, er het levend[2] af te brengen. Met enkele rukken vlogen de kleederen van het lichaam, om geen beletsel te zijn bij het zwemmen in de zee. Op de borst van den Admiraal werd nu een Scapulier zichtbaar, het Scapulier van de Madonna van Carmel. Een kus op het trouw gedragen pand van Maria's bescherming, met een “H. Maria, sta mij bij" springt hij overboord, de weinige soldaten waren hem reeds voorgegaan. Kapitein de Biskaja, evenals hij met het kleed van de Moeder van Carmel gesierd, bleef met hem het langst op het schip. Hij had zijn godvruchtige beweging gezien, zijn verzuchting gehoord. Ook hij beval zich Maria aan en sprong toen met den Admiraal in de golven. Weinig oogenblikken daarna zonk het schip, opnieuw door een kanonschot getroffen, in de diepte.

En de Admiraal en zijn officier? Zij waren reeds zoover, dat de zuiging van het wegzinkend gevaarte hen niet meesleurde, maar nog een ander gevaar dreigde hen. Rondom hen flitsten de kogels der oproerige eilanders, van wie voor hen geen heil te wachten was. Doch niets kon hen deren. Met de uiterste inspanning, doch ongedeerd bereikten zij ten slotte een Amerikaansch oorlogsschip, waarop zij zich gevangen gaven. Maria had haar kinderen behouden. Van de andere soldaten schijnt niet één te zijn gered. Openlijk schreef dan ook de Admiraal zijn redding en die van zijn officier toe aan de bijzondere bescherming van Maria, wier kleed zij niet hadden afgelegd, en op wier hulp zij vertrouwden bij hun sprong in de golven.



  1. Published in: Carmelrozen, Vol. VII, July 1918, p. 55-57.
  2. In the publication: ‘leven’.

© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2020