Van Bethlehem bij Doetinchem

1938

Article

 


Van ‘Bethlehem’ bij Doetinchem. Een merkwaardige preek

[1]


Het is ruim zevenhonderdvijftig jaar geleden, dat even buiten de muren van Doetinchem in 1179 de grondslagen werden gelegd voor de stichting van het later zoo beroemde klooster ‘Bethlehem’. Hendrik van Nassau, Graaf van Gelre, en vele anderen schonken grond aan een priester Franco en hielpen hem onder goedkeuring van Bisschop Balduinus van Utrecht een kapel bouwen in 1180 ingewijd, ter eere van Maria. In 1200 erkent Bisschop Theoderik opnieuw de stichting onder uitdrukkelijke vermelding van haar naam ‘Bethlehem’. Dan heeft het jonge klooster reeds vele bezittingen, die het niet geringen invloed verzekerden. Ook kerken werden er al spoedig aan onderhoorig, zooals te Steenderen, te Doesburg en geleidelijk op meer andere plaatsen. Het doel van de stichting bracht dit mede, want het was een huis van Reguliere Kanunniken, die den Regel van Sint Augustinus volgden, een instelling van priesters op de zielzorg aangewezen. Een oorkonde van 1231 vermeldt hen het eerst onder dezen naam. Deze huizen werden beschouwd als het ideaal voor de priesters in de zielzorg, voor wie steeds dringender in allerlei synoden het tezamen leven, de ‘vita communis’ werd aanbevolen. Hun abdijen vormden het centrum van uitgebreide zielzorg. Zij leidden jonge priesters op en bezetten na een langen tijd van studie en voorbereiding met deze priesters de van de abdij afhankelijke parochies, vanwaar zij dezen bij ziekte of ouderdom of ook om andere redenen naar de abdij konden terugroepen, terwijl de abdij tevens toezicht op hun priesterlijke bediening uitoefende en hun de gelegenheid bood, zich van tijd tot tijd uit hun beslommeringen terug te trekken voor een inniger beoefening van het godsdienstig en geestelijk leven.

Een korten tijd kwam er wijziging in den eersten opzet der stichting.

Met goedvinden van den Bisschop van Utrecht Jan van Nassau en van Siegfried, Bisschop van Keulen, gingen de Kanunniken van Sint Marie te Doetinchem omstreeks 1274 over tot de Duitsche Ridderorde, Ridders van de Maagd Maria of volgens hun volledigen naam Broederen van het Duitsche Huis van Onze Lieve Vrouw van Jeruzalem. Deze hadden een huis te Dieren, dat niet onderworpen was aan de rechtsmacht van den bisschop van Utrecht.

Het schijnt, dat de Kanunniken door zich bij deze Ridders aan te sluiten, zich ook aan de rechtsmacht van den Bisschop van Utrecht wilden onttrekken. Deze zag later in, dat hij te veel had toegegeven en kwam op zijn besluit terug. Na eenigen strijd, waarbij het Kapittel van den Dom zelfs ten slotte aan de zijde van het klooster stond, keerden de Broeders in 1282 tot hun oorspronkelijke instelling van Reguliere Kanunniken van Sint Augustinus terug en bleven sindsdien aan deze instelling trouw.

Het is niet mijn bedoeling, hier een geschiedenis te geven van de lotgevallen van het klooster en van de wisselingen ook in de gestrengheid van de kloostertucht. Vermeld moge echter worden, dat op het einde der 14de eeuw de kloostertucht onder de Reguliere Kanunniken van Sint Augustinus vooral naar het voorbeeld van het klooster van Windesheim op verheugende wijze herleefde en toen een prioraat van Doetinchem afhankelijk, n.l. het klooster te Zwolle bij Groenlo zich reeds aanstonds bij Windesheim wilde aansluiten. De abdij te Doetinchem verzette zich hier tegen, omdat zij de rechtsmacht over dit klooster niet wilde prijsgeven. Door dit streven werd echter ook daar de drang naar een vereeniging levendig en zoo kwam met medewerking van ‘Bethlehem’ te Doetinchem naast de kloostervereeniging van Windesheim in 1426 de kloostervereeniging van Neuss tot stand. Bethlehem behoefde daarvoor noch van zijn rechten noch van zijn levensgewoonten afstand te doen, wat pleit voor een goede observantie in het klooster. In 1430 werd het echter toch in het steeds groeiende Kapittel van Windesheim opgenomen, omdat toen heel het Kapittel van Neuss zich daarbij aansloot. De uitvoering van dit besluit schijnt echter niet zonder moeilijkheden te zijn gegaan en eerst later tot een definitieve opname te hebben geleid. Hiervoor wordt tenminste door een clerc van Neuss het jaar 1443 opgegeven met de vermelding, dat het klooster Bethlehem te Doetinchem niet kon instemmen met den eisch, dat men geen eigen Proost of Prelaat meer mocht hebben. In 1454 bewilligde Paus Nicolaus V in dezen vrijheidseisch van ‘Bethlehem’. Men heeft uit de handhaving van dit recht meenen te moeten besluiten, dat ‘Bethlehem’ niet bij Windesheim werd aangesloten. Ik geloof, dat, al stelde dit privilege het klooster in een eenigszins onafhankelijke positie, dit toch niet de aansluiting bij Windesheim te niet doet of onmogelijk maakt, evenmin als dit vroeger een beletsel was geweest voor de aansluiting bij het Kapittel van Neuss.

Het is merkwaardig, dat Dr. W. L. Bouwmeester in zijn overigens zoo verdienstelijk werk Het Klooster Bethlehem bij Doetinchem (Doetinchem 1903) van den tijd, die aan de Hervorming en onderdrukking van het klooster voorafging en dien hij als een dageraad van nieuwe begrippen ziet, schrijft: “Onder de geschriften, die den dageraad der nieuwe begrippen aankondigden en wier inhoud en strekking in deze dagen ook tot Bethlehems kloostercellen doordrongen, behoorde Thomas a Kempis' beroemde Navolging van Christus - De Imitatione Christi. Het lijdt geen twijfel, dat zoo bij velen een kentering in de denkwijze ontstond” (blz. 136). Hiertegenover zou ik willen plaatsen, dat niet in dien tijd Thomas a Kempis' beroemde werk tot de abdij van Bethlehem doordrong, maar honderdvijftig jaar vroeger en toen allerminst tot ideeën in den gedachtegang der Hervormers heeft geleid. Onder de handschriften, welke wij van de Navolging bezitten, neemt een in het jaar 1427 in Bethlehem te Doetinchem door Br. Romanus van Millingen geschreven en thans bewaard in de bibliotheek van het Hilfspriesterseminar te Gaesdonk bij Goch, een allervoornaamste plaats in. Het is een der oudste en merkwaardigste, gelijk P. Puyol in zijn beschrijving van de Thomas-handschriften opmerkt. Hirsche noemt het eenvoudig het beste van alle. In 1887 heeft dr. Hölscher er een goede uitgave van bezorgd te Munster in Westfalen, nadat hij het jaar te voren in Zeitschrift für Vaterländische Geschichte enz. Band 44 een goede beschrijving van het Hs. had gegeven.

In verband met de drang naar Hervorming en de kentering van de gedachte onder invloed van de Navolging moge ik verder wijzen op een merkwaardige preek met nog vier andere uit dit klooster bewaard in het Provinciaal Geldersch Archief en in het bovenvermelde proefschrift van Dr. Bouwmeester uitgegeven. Het is een preek op den 13en Zondag na Drievuldigheid of den 14en na Pinksteren, waarin de oogen worden geprezen, die zien mochten, wat koningen en profeten hebben verlangd te zien en niet zagen. Er wordt dan gezinspeeld op Christenen, die gaarne hooren, wat Christus ons heeft gegeven, dat Hij voor ons heeft voldaan, maar niet, wat Hij daarbij van ons verlangt. Zij meenen, dat als zij in Christus gelooven, het voldoende is en zouden met het geloof alleen ten Hemel willen varen, zij veronachtzamen Gods gebod en lachen en spotten met hen, die van goede werken spreken. Zij zeggen, Christus is voor ons gestorven en heeft voor ons alles gedaan wat noodig was om ons zalig te maken. Gelooft dit en gij kunt van uw zaligheid verzekerd zijn. De predikant stelt daar echter tegenover, dat, als Christus in dezen zin geheel voor ons voldaan had, het voor hem geen zin had, ons te wijzen op het gebod der liefde tot den naaste, ons den barmhartigen Samaritaan voor te stellen met de woorden dat wij ook zoo moeten doen. Christus zegt niet, zoo gaat hij voort, dat onze werken zonder waarde zijn. En daarom, zegt ook de predikant, mag uw geloof niet alleen blijven staan, zonder dat daarmede goede werken worden verbonden, want, zoo vervolgt hij, geloof zonder goede werken is dood.

Deze woorden gesproken in een tijd door Dr. Bouwmeester gesteld tusschen 1480 en 1520, zijn zeer zeker allermerkwaardigst, niet slechts omdat daarin, vóór Luther optrad, reeds sprake is van Christenen, die het alleenzaligmakende van het geloof verdedigen met voorbijzien van de goede werken, maar ook omdat er uit blijkt, dat de kloosterlingen van ‘Bethlehem’ deze houding verwerpen en het tegenovergestelde leeren.

Nog moge worden vermeld, dat van dit klooster het Provinciaal Geldersch Archief te Arnhem nog een kostbaar met zilver en ivoor beslagen en met edelsteenen versierd Evangelieboek bewaart, waar voorin zes op perkament geschilderde platen zijn opgenomen, eenigszins primitieve voorstellingen op gouden grond van de Boodschap aan Maria, van de Geboorte van Christus, van Christus' opdracht in den Tempel, van Christus aan het kruis, van de Verrijzenis en de Hemelvaart des Heeren. I. A. Nijhoff geeft er in de Verhandelingen van de Kon. Academie, afd. Letteren, Dl. I blz. 10 een beschrijving van, waarin hij het vermoeden uitspreekt, dat ze wellicht dienden als ontwerpen voor geschilderde ramen van de kloosterkerk, en als tijd van vervaardiging het einde der 14de eeuw meent te moeten stellen. Hoewel in het Hs. alleen staat, dat het aan het klooster ‘Bethlehem’ toebehoorde, is het wel waarschijnlijk, dat het er ook vervaardigd werd. De schrijfkunst bloeide er, getuige niet slechts genoemd Thomas-handschrift, maar ook de vermelding in de Kroniek van Windesheim, dat men daar voor den standaard-bijbel o.a. gebruik maakte van een volledigen bijbel uit het klooster ‘Bethlehem’ bij Doetinchem. Een bewijs tevens van de liefde, die er leefde voor de H. Schrift.

T. B.



  1. Published in: De Gelderlander, 31 December 1938, p. 13. ('Van Ons Geestelijk Erf').


© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2020