Van de Voortplanting des Geloofs

1934

Radio speech

 


Van de Voortplanting des Geloofs

[1]


Met vliegtuigen van allerlei nationaliteit zijn een paar dagen geleden ook van Nederland de Pander en de Uiver opgestegen en jagen zij nu over de aarde. Het is een wilde en toch heerlijke jacht. Heel Nederland volgt hen in den geest bij de verovering van de lucht en gaat er groot op, dat wij bij die nieuwe expansie van de menschelijke macht niet achterblijven. Bij [2] mijn gang naar de studio om voor U te spreken zag ik de menschen van Hilversum samendrommen om de bulletins te lezen, die het verloop van den tocht vliegtuig voor vliegtuig bijna vermelden. Het leeft.Voor het luchtvaartfonds zijn in korten tijd groote bedragen gestort. Het is een fonds geworden, misschien niet zoo groot, als men het wel wilde, maar toch van beteekenis. En wat het meeste waard is, daarin heeft het Nederlandsche volk blijk gegeven mee te leven met zijn pioniers op dit gebied. De Minister-President was ons aller tolk, toen hij bij den aanvang van den tocht hen met hun moed geluk wenschte en vertrouwen uitsprak in hun durf. [ Het was den koenen luchtvaarders niet onverschillig, dat er duizenden waren samengestroomd om getuige te zijn van het opstijgen, evenmin dat het hen koud laat, dat in blad en radio hun tocht wordt gevolgd, men allerwege in hun stout ondernemen belangstelling heeft. Het staalt hen, het vuurt hen aan, tot het uiterste vol te houden tot eer van het volk, waartoe zij zich gelukkig achten te behooren, juist omdat het met hen meeleeft, hun onderneming steunt. ] Nederland heeft roem verworven in de verovering van de lucht, gelijk het zich vroeger roem verwierf in de verovering van de zee, in de ontdekking van nieuwe gebieden en nieuwe handelswegen.

Zoo heeft ook Nederland roem verworven, meer in het bijzonder Katholiek Nederland in de verovering van nieuwe gebieden, het vinden van nieuwe wegen ter uitbreiding van het Rijk van Christus, op het gebied der missiën. Ik spreek gaarne mijn waardeering uit voor hetgeen niet-Katholieken van Nederland doen voor de uitbreiding van het Godsrijk op aarde in het zendingswerk van allerlei vorm. Maar ik geloof toch niet aanmatigend te zijn, als ik met Z.H. den Paus het medeleven en steunen van de missiën door Nederlands Katholieken voor heel de wereld ten voorbeeld stel. Als ik aan de missiën denk, zoo hoorde ik zelf zijn Heiligheid eenmaal zeggen, dan moet ik aan Nederland denken niet slechts omdat in zooveel Missiegebieden Nederlandsche Bisschoppen, meer dan dertig, leiding geven, niet slechts omdat het aantal missionarissen, priesters, zusters, broeders en leeken-[2] apostelen, dat van Nederland naar de missiën gaat zoo groot is en het aantal roepingen daartoe nog grooter deelname in de toekomst moet doen verwachten, maar vooral omdat het Nederlandsche Katholieke volk zoo innig met de missie meeleeft, achter zijn missionarissen staat en door steun in geld, maar meer nog door steun in gebed en bevordering van de algemeenen missiegeest, het alweer verlevendigen van den missie-ijver zulk een vooraanstaande plaats inneemt.

Nederland heeft zijn aandeel gehad in het veroveren van de zee. Het is heerlijk te lezen, hoe er bijna geen groote boot uit onze havens vertrekt naar de verre landen, zonder dat er missionarissen aan boord zijn, die weer uittrekken om, gebruik makend van dit machtig middel van verkeer contact te zoeken met de heidensche volken in andere werelddeelen en hen te spreken van het heerlijke van den godsdienst, dien grooten troost in de beproevingen van het leven, dien besten waarborg van een eeuwig geluk in de toekomst. Wij zien hen de zeeën oversteken in alle richtingen en volgen hun tochten met belangstelling. Waar het schip te langzaam vaart, waar de tijd dringt omdat er zooveel te doen is en de hooge belangen, die op het spel staan, vaak geen uitstel lijden, daar zien wij onze Missiebisschoppen, onze missionarissen het vliegtuig instappen om ook dat dienstbaar te maken aan de verovering van de wereld voor Christus. [ Spanjaarden en Portugeesen hebben bij hun vroegere ontdekkingsreizen steeds mede de uitbreiding van het Rijk van Christus beoogd en nagestreefd. Aan boord van de beide vaartuigen, waarmede Columbus de nieuwe wereld ontdekte, waren in de verwachting, dat hij slagen zou, reeds priesters niet slechts om den zeelieden geestelijke bediening te verzekeren, maar met de uitgesproken bedoeling ook de menschen, die men in die nieuwe wereld hoopte te vinden, te spreken van Christus’ zending op aarde. Op dit gebied heeft Nederland later niet uitgemunt, integendeel, het heeft in vele streken vernietigd, wat er tot geestelijk heil der bevolking door de Kerk was gesticht. Nederland heeft op dit gebied veel goed te maken. Maar laten wij gerust erkennen, Nederland heeft reeds zeer veel goed gemaakt en gaat voort, dit eerherstel zoo volledig mogelijk te doen zijn. Wij halen de schade, die ons volk vroeger het Missiewerk heeft toegebracht, dubbel en dwars in, door thans te trachten, de eerste plaats in te nemen in dit heerlijk Missiewerk. ] [3]

Wij doen mee, niet slechts in de verovering van de zee en van de lucht, wij doen ook mee in de ontdekking van steeds nieuwe gebieden voor het Rijk van Christus, in de uitroeping van Christus' Koningschap bij volkeren, die Hem nog niet kennen. En in overeenstemming met ons kloek devies ‘Je maintiendrai’ van ons geëerbiedigd Koningshuis overgenomen, zullen wij handhaven, voortzetten en bevestigen, wat nu sinds tientallen jaren door de Katholieken van Nederland zoo schitterend voor de Missiën is gedaan en opgebouwd. Het is vandaag de Missie-zondag. Vanmorgen is in al onze kerken over de Missiën gesproken. Deze dag is aangewezen om ons aller liefde en ijver voor de Missiën nog weder te verlevendigen en te bevestigen. De Paus roept ons, niet slechts in Nederland, maar over heel de wereld op, om ons rondom hem te scharen voor dit goddelijkste aller werken van liefde en menschelijke saamhoorigheid. Wij, die het Pauselijk woord op zoo velerlei gebied tot richtsnoer onzer daden nemen en er steeds prijs op stellen ons daarnaar te gedragen, wij willen ook vandaag een oogenblik ons bezinnen op den plicht, waarop hij als onze Vader ons wijst, ons afvragen, of, al prijst hij ons, wij doen, wat wij moeten en kunnen om dien plicht te vervullen.

Wij moeten met het begin beginnen.

En wij moeten daarin vooral één zijn.

De Katholieke Kerk is een groote gemeenschap. De niet-Katholieken bewonderen in ons die wondere eenheid, niet slechts innerlijk, maar innerlijk zoo groot, dat ze naar buiten uitstraalt en zichtbare en tastbare vormen aanneemt, wij als een aaneengesloten leger optrekken in dezen heiligen strijd voor de uitbreiding van het Rijk van Christus op aarde. Daarin schuilt het geheim onzer kracht. Laten wij er niet blind voor zijn [ en die niet slechts innerlijke maar ook naar buiten uitstralende eenheid niet gering schatten, door er geen prijs op te stellen. ] De Paus heeft daarom als grondslag van alle missie-actie een algemeen over de geheele wereld eenvormig georganiseerd Genootschap willen stichten tot voortplanting des Geloofs, waarvan alle Katholieken zonder uitzondering, die de kinderschoenen zijn ontgroeid, lid zouden moeten wezen. Dit Genootschap legt ons niets nieuws op, het vraagt niet iets, dat boven onze gewone verplichtingen uitgaat, neen, zonder tot dat Genootschap te behooren zouden wij reeds moeten doen, waartoe wij ons door lid er van te worden verplichten. [4]

Als wij Katholieken begrijpen, wat het voor ons zeggen wil, dat wij tot dat H. Geloof zijn geroepen en uitverkoren, welk een groot goed voor ons en voor alle menschen gelegen is in het kennen en beleven van onzen Katholieken godsdienst, dan zouden wij toch God moeten bidden, telkens weer, dat Hij dat groote goed ook aan de andere menschen, die Hem niet kennen, moge mededeelen. Wij weten immers, dat, hoe goed God is, Hij ons zelf heeft geleerd, te bidden voor de gaven zijner goedheid. Hij wil de erkenning onzer afhankelijkheid, Hij wil, dat wij dagelijks Onzen Vader, die in den Hemel is, bidden niet slechts om ons dagelijksch brood, maar ook dat zijn Rijk zich uitbreide over de wereld, zijn Naam geheiligd worde en zijn wil geschiede. Dat leerde Hij zijn Apostelen, toen zij vroegen hen te leeren bidden. Die gedachte heeft dan ook altijd in de Kerk geleefd. Reeds van de Apostolische tijden af wordt het gebed der geloovigen verzocht tot steun van het Apostolaat. Toen Herodes den H. Petrus had gevangen genomen en in boeien hield, steeg onafgebroken het gebed der Geloovigen ten Hemel om zijn bevrijding.

En zouden wij niet even vurig moeten bidden opdat God zijn missionarissen, die op allerlei wijzen als met handen en voeten gebonden zijn, de noodige vrijheid schenke in hun missiewerk. Het gebed is alle eeuwen door een machtige factor geweest, de machtigste in het missiewerk. Zeker, de stoffelijke middelen moeten ook beschikbaar worden gesteld. Geld is noodzaak, maar gebed is hoofdzaak in alle vormen van apostolaat binnen en buitenslands. Het is ook in Nederland begrepen. De Paters Franciscanen in Drachten, de Paters Carmelieten in Hoogeveen, de Paters Augustijnen in Witmarsum, de Paters Dominicanen in Zwolle trachten in samenwerking met de Pastoors en Kapelaans van de Parochiën van het Noorden van ons land, waar de ontkerstening zoo ontstellende vormen aanneemt, voorlichting te geven aan alle niet-Katholieken, die dit wenschen. Het is echt Katholiek dat de Paters Franciscanen in Drachten zijn overgegaan tot het stichten van een klooster van Ongeschoeide Carmelitessen, een besloten klooster van contemplatieven, om voor dit werk niets anders te doen dan te bidden. In de Mijnstreek, waar de zielzorg zoo bijzondere moeilijkheden meebrengt heeft de Deken van Heerlen, door velen geholpen, de stichting doorgezet van een klooster van Geschoeide Carmelitessen, weer een besloten klooster van contemplatieven, om voor de zielzorg van de Mijnstreek niets anders te doen dan te bidden en door [5] gelegenheid te geven tot dagelijksche aanbidding van het Allerheiligste ook anderen tot gebed voor die zielzorg te prikkelen. Dit voor de inlandsche Missie. Om maar bij recente voorbeelden te blijven, binnen enkele weken vertrekken de eerste Zusters Clarissen van Megen en Ammerzoden naar Batavia om daar in de hoofdplaats der Indische Missie als contemplatieven door gebed de Missie te steunen. Mgr. Brandsma, zoo juist weer uit Nederland vertrokken naar het hartje van Afrika heeft den tijd van zijn verblijf in Europa o.a. dienstbaar gemaakt om voor zijn missie de stichting voor te bereiden van een klooster van Engelsche Carmelitessen. En zoo zou ik kunnen voortgaan. Is niet alleen reeds de aanwijzing van de H. Teresia van Lisieux tot Patrones der Missiën naast een H. Franciscus Xaverius een bewijs, hoe de Kerk den steun der Missiën door het gebed op de eerste plaats verlangt. Hoeveel zielen heeft dit kleine meisje, dat droomde van verovering van de wereld voor Christus voor Hem niet gewonnen, juist wijl zij in haar besloten Carmelitessenklooster te Lisieux in het verborgen onafgebroken bad en haar dagelijksch werk aan God opdroeg op dat Hij in ruil daarvoor zegen zou geven aan het missiewerk. Bij dat gebed moeten wij ons aansluiten en de Kerk heeft, om het mogelijk te maken, dat alle Katholieken daarin één zouden zijn, het gemeenschappelijk gebed zoo klein mogelijk gemaakt: Dagelijks één Onze Vader en één Weesgegroet met het schietgebed tot den grooten Patroon der Missien: H. Franciscus Xaverius, bid voor ons. Wie kan dat niet?

Neem vandaag nog maatregelen, die verzekeren, dat Gij het geregeld doet. En dan het geldelijk offer. Want ook dat is noodig. Wie zijn verstand ook maar een oogenblik raadpleegt, begrijpt het. Maar ook hier, opdat allen ook daarin één zouden zijn, het bedrag zoo gering mogelijk: Twee en een halve cent per week. Wie, die het hooge belang der Missien begrijpt, zal niet toegeven, dat hij voor tal van doeleinden, die daar verre bij ten achter staan, meer dan twee en een halve cent uitgeeft. Negentig procent van diegenen, die meenen, dit bedrag per week niet te kunnen afzonderen, beseffen niet, hoe groote belangen hier op het spel staan, welke waarde deze bijdrage heeft. Maar er zullen er zijn, voor wie dit te veel is. De Paus is ook hier voor niet blind geweest, maar hij wil, dat allen, al is het nog zoo weinig, iets doen. Voor wie die 2½ ct. te veel is, is gesteld, dat zij elke maand naar vermogen iets doen, al was het maar een cent geven, maar bewust en gewild om mee te doen. Dat kan zelfs een bedelaar. [6]

Welnu van dit Genootschap met zoo elementaire verplichtingen wil Z.H. de Paus, dat wij allen lid zijn. Hij beschouwt het en wil het beschouwd zien als den grondslag van alle Missie-genootschappen, hoe verdienstelijk en waardevol ook. Gij zult lid zijn van wellicht vele Missie-genootschappen, broederschappen, vereenigingen. Gij moet dat niet zijn, zonder dat gij allereerst lid zijt van dit algemeenste aller Genootschappen, waarin wij een zijn, een moeten zijn met alle Katholieken van heel de wereld en aldus de eenheid van ons Apostolaat getuigen.

Jezus bad in de zaal van het Laatste Avondmaal: Dat allen één zijn.[3] Dit slaat wel hierop op bijzondere wijze. Ik herhaal met Hem : Dat allen één zijn in het lidmaatschap van het Genootschap tot voortplanting des Geloofs. Zoo gij het niet zijn mocht, heilig dan dezen Missie-zondag door vandaag nog maatregelen te nemen om er in uw parochie in te worden ingeschreven. Ik dank U bij voorbaat.

Er is nog meer. Wij moeten er, ieder in zijn kring, ook voor ijveren, dit Genootschap tot een werkelijk algemeen te maken. Samenwerking vermag hier zooveel. Wie in de maatschappij er prijs op stelt, leiding te geven, vooraan te staan, moet ook hierin een eerste plaats innemen en zijn invloed niet ongebruikt laten. ln de betrekkelijk kleine stad Bussum is door intensieve propaganda gedurende de dit jaar gehouden Missietentoonstelling het aantal leden der Voortplanting met 2000 gestegen. In Nijmegen heeft een groep leeken en priesters de handen in elkaar geslagen om, het koste wat het koste, het aantal leden evenredig te doen zijn aan het aantal Katholieken. Het volgt hierbij het schitterend voorbeeld van Den Bosch, Eindhoven en nog andere plaatsen. Gij, die wat kunt in de maatschappij, vraag, Uzelven eens af, of in uw kring ook niet iets meer zou kunnen geschieden, opdat ook in uw omgeving het Genootschap van de Voortplanting een werkelijk algemeen Genootschap zij. Gij, die wat kunt, doe vandaag nog wat. God zal er U voor zegenen.

Ik dank U.


Hilversum 21 October 1934


  1. Typescript of a radio speech (NCI OP93.8), K.R.O., 21 October 1934 (16.45-17.00 h). With a pencil some square brackets are added and textcorrection are performed. We present these in italics. The brackets might indicate that the radio speech could be shortened at this point.
  2. This text is written on top of the page, with a sign at this point in the tekst that suggests it has to be added here.
  3. See: John 17:21.


© Nederlandse Provincie Karmelieten

Published: Titus Brandsma Instituut 2021.