Zaterdagavond in de kerk der Carmelieten

1915

Article


Zaterdagavond in de kerk der Carmelieten

Door P. Dr. Titus Brandsma, Ord. Carm. Oss.[1]


De klokken van de kloosterkerk kleppen zoo blij, kleppen zoo luide, dat men zou meenen, dat het een feestdag was. En toch, ’t is Zaterdagavond. Maar dat is de dag van Maria. En des avonds hebben de Paters Carmelieten hun lof ter eere van Onze Lieve Vrouw van het H. Scapulier, ter eere van Onze Lieve Vrouw van den berg Carmel. Juist hebben zij de Metten gebeden en nu komen zij, één voor één, de jongeren voorop, achteraan de Prior, in het Priesterkoor voor het Hoogaltaar. Hun bruine pij en scapulier ziet men bijna niet door hun staatsiekleed, den langen witten mantel. Slechts even, als zij voor het Allerheiligste knielen, buigen en eerbiedig het kleed kussen, dat hun door den Hemel zelven is gegeven als onderpand van Maria’s bescherming, ziet men de donkere kleuren onder al dat wit. ’t Is op zoo’n avond, of zij zorgvuldig dat kloosterkleed willen laten zien aan hun Verlosser, het eerbiedig kussen ten teeken van dankbaarheid en het dan weer, om het altijd rein te bewaren, bedekken met het symbool der reinheid, waarin zij het Lam volgen, overal waar het gaat. Daar klinkt de zware koorbel. Een acoliet, een jonge frater, die zich voorbereidt tot het H. Priesterschap, treedt uit de Sacristie, het wierookvat in de hand, twee andere volgen, brandende kaarsen hoog op zilveren of koperen kandelaren dragend. Na hen volgt de Priester in koorkap. Het orgel doet feesttonen hooren. Men voelt het, ook de organist weet, dat het een bijzonder Lof is vanavond. Het Allerheiligste wordt ter aanbidding uitgesteld. Wierookwolken kringen en dringen omhoog. Alles in de kerk aanbidt den verborgen God. Reeds klinken langs de gewelven de rythmische klanken van het altijd mooie Adoro Te devote. Twee voorzangers in het Priesterkoor hebben het aangeheven en zingen de strofen. Het orgel zwijgt bijna om de woorden te doen verstaan. Maar na iedere strofe valt onder volle begeleiding van het orgel het koor der Paters in : Ave Jesu, Pastor fidelium, adauge fidem omnium in Te credentium, Gegroet, o Jezus, Herder der geloovigen, vermeerder het geloof van allen, die in U gelooven. Dan zingt de Priester het gewone gebed ter eere van het H. Sacrament des Altaars.

Het is een oefening ter eere van [94] Maria, maar de begroeting van Jezus, de aanbidding van haar goddelijken Zoon moet het begin en het einde zijn van alle hulde aan Maria, moet met alle vereering van Maria samengaan. Het is dan ook een Lof, dat de Carmelieten houden om hun bijzondere vereering van Maria te uiten en te verzinnebeelden, een Lof, waarvan het Adoro Te en het Tantum ergo het begin en het einde vormen en waarbij Jezus gedurende de geheele oefening, ter eere zijner lieve Moeder gehouden, vanaf den expositietroon de godvruchtige gebeden en gezangen als Opperste Hoogepriester assisteert.

Het Adoro Te is gezongen en intusschen is licht ontstoken in de kapel van onze Lieve Vrouw, welke in alle Carmelietenkerken, waar het kan, aan de Evangeliezijde uitgebouwd, door rijkdom van versiering toont, dat in die kerken Maria op zeer bijzondere wijze wordt vereerd. De Priester aan het Hoogaltaar staat op, wierook wordt gebrand en opgeofferd. De acolieten houden hun kaarsen omhoog. De Paters en fraters in de koorbanken zijn mede opgestaan, de leekebroeders komen uit hun bidplaats in het koor en scharen zich langs de Communiebank. Eén draagt het processiekruis. Nu heft de Priester, die het lof doet, aan: Salve Regina, Wees gegroet, Koningin. Allen buigen bij die woorden om Haar te groeten, die zij noemen de Moeder en Luister van Carmel. De voorzangers zingen nu verder: Mater Misericordiae, Vita, dulcedo et spes nostra salve, Moeder van barmhartigheid, ons leven, onze zoetheid, onze hoop, wees gegroet. Bij dit tweede Salve buigen weer allen en hernieuwen de betuiging hunner vereering en eerbied. Inmiddels is de processie gevormd. Het kruis voorop tusschen de acolieten met hun kaarsen, dan volgen in twee rijen de leekebroeders, vervolgens de fraters, na hen de Priesters, eerst de jongeren, dan de ouderen, en tot besluiting der beide rijen Supprior en Prior. Dan volgt de Priester met het Allerheiligste, vóór hem de acoliet, die het wierookvat zwaait. Onderwijl is het koor der Paters ingevallen: Ad te clamamus exules filii Evae, ad te suspiramus gementes et flentes in hac lacrymarum valle. Tot u roepen wij ballingen, kinderen van Eva, tot u smeeken wij zuchtend en weenend in dit tranendal. Dan zingen weer de twee voorzangers, terwijl reeds de eersten der processie de Moeder-Godskapel intrekken als onder de oogen van Maria: Eja ergo, advocata nostra, illos tuos misericordes oculos ad nos converte, Welaan dan, onze voorspreekster, sla op ons uwe barmhartige oogen. Nu zijn allen in de kapel en Jezus gaat hen in de handen van zijn dienaar voorbij. Op geen juister oogenblik kon uit de kelen der kloosterlingen de beê weerklinken tot Maria, dat zij hun Jezus, dien zij thans gesluierd voor zich zien, eens ongesluierd toone, nadat zij dit ballingsoord hebben verlaten: Et Jesum benedictum fructum ventris tui nobis post hoc exilium ostende. En toon ons na deze ballingschap Jezus, de gezegende vrucht uws lichaams. Allen staan nu voor het altaar van Maria. Het Allerheiligste wordt op den expositietroon geplaatst, waarboven het beeld van Maria schittert in het licht. Het draagt het sca- [95] pulier, het onderpand harer bescherming, in de handen. Luide klinkt in de betrekkelijk kleine kapel en zachter galmt het verder in de groote kerk beurtelings van voorzangers en koor het slot der schoone antifone: o clemens, o pia, o dulcis virgo Maria, o goedertierene, o meedoogende, o zoete maagd Maria. Dan zingen de acolieten: Ora pro nobis, sancta Dei Genitrix, Bid voor ons H. Moeder Gods en nadat het koor geantwoord heeft: Ut digni efficiamur promissionibus Christi. Opdat wij de beloften van Christus waardig worden, besluit de Priester de Antifone met het gebruikelijk kerkelijk gebed.

’t Is niet de eenige maal in de week noch de eenige maal op den dag dat in de kerken der Carmelieten het Salve Regina weerklinkt. Het is hun geliefkoosde begroeting. Niet slechts op het einde hunner volgens eigen ritus opgedragen H. Mis, ook op het einde van iedere afdeeling of uur van het breviergebed bidden zij het Salve Regina en bij het laatste uur, bij de Completen of het Lof wordt het gezongen. Doch ’s Zaterdags zingen zij het plechtig in hun witte mantels voor en op weg naar het altaar van hun Moeder.

Zoodra het Salve Regina is uitgezongen, knielen allen rond het altaar neer om de Litanie van Loreto te zingen. Elken dag wordt deze gebeden, maar op den dag, Maria toegewijd, komen de kloosterlingen haar zingen voor den troon hunner Koningin. De voorzangers zetten de titels in, het koor antwoordt het Miserere nobis, Ontferm U onzer en het Ora pro nobis, Bid voor ons. Maar wij hooren, daar titels, welke wij anders niet hooren, bijzondere namen, waarmede slechts de Carmelieten hun bijzondere Beschermster begroeten. Na het Moeder des Zaligmakers, Mater Salvatoris zingen de voorzangers: Mater, decor Carmeli, Moeder, luister van Carmel en dringender klinkt het refrein van het koor: Ora pro nobis. De voorzangers gaan verder met de bekende titels: Allervoorzichtigste Maagd, enz. tot we op eens als laatsten der eerenamen welke Maria als Maagd verheerlijken, hooren: Virgo, flos Carmeli, Maagd, Bloem van Carmel en weer dringender de stem van het koor hooren antwoorden: Ora pro nobis. Langen tijd gaat het nu gewoon door. Daar klinken de woorden: Hulp der Christenen, Auxilium Christianorum. Wij voelen door de gedachte alleen aan Maria’s hulp onze zwakheid gesterkt, maar de Carmeliet weet, dat, mogen alle Christenen op Maria’s bijstand rekenen, zij bijzondere hulp beloofd heeft aan allen, die het kleed van Carmel dragen en daarom mag hij na dien algemeenen titel laten volgen: Patrona Carmelitarum, Beschermster van de Carmelieten, bid voor ons. De Litanie nadert het einde. Maria wordt gehuldigd als Koningin, als de Maagd die door haar Onbevlekte Ontvangenis vrij bleef van elke smet van zonde en eindelijk besluiten twee bijzondere eeretitels die eenvormige en toch zoo afwisselende verheerlijking van Maria. Twee dingen zijn er, welke wij beschouwen als bijzondere middelen om Maria te eeren, het bidden van den Rozenkrans en het dragen van het Scapulier. Groeten allen Maria als de Koningin, die overwint en overwinnen doet [96] door den H. Rozenkrans, de Carmelieten mogen daarna de Litanie besluiten met de hoopvolle bede: Spes omnium Carmelitarum, Hoop van alle Carmelieten, bid voor ons. Zij weten, dat wie op aarde het kleed draagt van den Carmel, het Scapulier der Carmelieten als kind van Maria aanneemt, door de Koningin des Hemels de eeuwigheid zal worden binnengeleid. Zij is hun hoop, die niet beschaamd wordt.

De Litanie is ten einde. Nog driemaal klinkt het gebed om genade tot het Lam Gods, dat geslachtofferd is om de zonden der wereld weg te nemen, de acolieten zingen een versikel, door het koor beantwoord, en dan besluit haar de Priester met het zingen van het voorgeschreven kerkelijk gebed.

De begroeting van Maria is volbracht. Aan Jezus nog een laatste groet, een bede om zijn zegen, en de oefening is geeindigd. Reeds klinkt het Tantum ergo langs de gewelven, de Priester doet weer den wierook branden en geeft tenslotte den zegen met het Allerheiligste vanaf het altaar in de kapel.

Nu rijzen allen op, knielen en buigen voor Jezus en weer kussen zij het Scapulier voor het beeld van de Moeder, die het hun gaf. Op nieuw scharen zij zich nu in twee rijen om Jezus te begeleiden naar het Tabernakel in het Hoogaltaar. Zwijgend gaan zij terug. ’t Is, of zij niets meer te zeggen of te vragen hebben, nu zij zóó hun hart hebben uitgestort voor de beeltenis der teergeliefde en teeder-minnende Beschermvrouwe, wier Broeders zij zich mogen noemen, de Lieve-Vrouwebroeders.



  1. Published in: Carmelrozen, Vol.IV, Aug. 1915, p. 93-96.

© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2018