Erant perseverantes unanimiter in oratione

undated

Conference

 


Erant perseverantes unanimiter in oratione cum Maria Matre Jesu

[1]


Erant perseverantes unanimiter in oratione cum Maria Matre Jesu. Act. Apost. I.14.

Zij volhardden eensgezind in het gebed met Maria de Moeder van Jezus.[2]


Beminde Geloovigen.


Blijdschap vervult mijn hart, nu ik op den Vooravond van het H. Pinksterfeest tot U het woord mag richten ter inleiding van een gebed van veertig uren voor Jezus in het H. Sacrament. In mijn verbeelding zie ik mij verplaatst naar de Opperzaal van Jeruzalem, waar naar ons de Handelingen der Apostelen verhalen, na de Hemelvaart des Heeren de Leerlingen met de vrome vrouwen volhardend baden totdat de H. Geest, de Geest van Gods Genade neerdaalde over hen.

Zij baden met Maria.

Maria was hun Moeder.

Maria is ook onze Moeder.

Ja Maria, Gij zijt mijn Moeder en hoe verheugt zich mijn hart, nu ik Uwe kinderen geschaard zie om Uw Meitroon en met U in hun midden hun beden tot God zie richten.

Beminde Geloovigen, laat ik U enkele woorden spreken over Maria.

Het verwondert U toch niet, dat ik spreek over haar, terwijl Gij verwacht, dat ik zal spreken over Jezus’ H. Sacrament.

Ik zal ook van Jezus spreken.

Maar laat ik U leiden tot den troon van Jezus aan de hand van zijn Moeder.

Ad Jesum per Mariam. Door Maria tot Jezus.

Heeft Jezus niet gezegd, dat waar twee of drie in Zijnen Naam vergaderd zijn, Hij in hun midden is. Maar wat zal het dan zijn zoo wij een zijn in het gebed met Maria Zijne Moeder. [2]

Welke heerlijke vrucht van dat gebed, zagen wij gedijen op den zonnigen Pinksterdag. De Geest des Heeren daalde neder en vervulde al degenen die daar baden.

Jezus had het hun beloofd. Ik zal U den Vertrooster zenden.

Maar zij moesten Hem afbidden in volhardend gebed.

Jezus heeft ook U zijn Genade, zijn Geest beloofd, zoo Gij er slechts om vraagt.

Ecce dies salutis. Zie dit zijn de dagen der heils.

Gaan wij thans met vertrouwen tot den troon der Genade, thans welt uit de bron overvloedig het heiligmakend het levendmakend water op om onze zielen schoon te wasschen en te reinigen tot een aangename woonstede voor den Geest des Heeren.

Ziet Uw Heiland heeft zijn troon onder U opgesteld. In schittering van licht, in sier van bloemen en gevat in gouden remonstrans straalt U een straaltje slechts van zijnen luister tegen. Hij zetelt daar op Zijn hoogverheven troon om U zijn weldaden mee te deelen.

De Meester is daar en roept U.

Toen Martha deze woorden tot Maria Magdalena zeide, stond zij aanstonds op om zich neer te werpen aan de voeten van haar Beminde.

De Meester is daar en roept U. Staat ook Gij op?

Och, onze godsvrucht is zoo traag, onze ijver zoo flauw.

Wij behoeven hulp om tot dien troon van zegening te geraken.

Het is, of wij het woord van Petrus zich aan ons voelen opdringen: Heer, Ga weg van mij, want ik ben een zondig mensch. Heer, ik ben niet waardig roepen wij met den Hoofdman van Capharnaum. Heer ik ben niet waardig, dat Gij tot Mij, maar ook niet dat ik tot U kom.

Gij zegt de waarheid. Gij zijt zoo groote gunst niet waardig.

Ook ik erken mijn groote onwaardigheid.[3]

Maar al dringt zich Petrus woord Heer ga weg van mij, want ik ben een zondig mensch, aan ons op, wij wagen niet het uit te spreken.

Daartegen in zouden wij de woorden willen roepen van de leerlingen van Emmaus Heer, blijf bij ons, want het wordt zoo donker om ons heen. Hoe zullen wij den weg vinden zonder U, die het Licht der wereld zijt, hoe onze zaligheid bewerken zonder U, zonder Wien wij niets vermogen.

Neen, Heer, neen, ga Gij niet van ons weg.

Diep vervult ons ons gevoel van onwaardigheid.

Wij zijn er tot in het diepste onzer ziel van overtuigd, dat wij uw onophoudelijke goedheid niet verdienen, integendeel, verdienen zouden om onzen eigenwaan en zelfgenoegzaamheid, dat Gij ons aan onszelve overliet tot ons verderf. Maar wij weten, dat Gij goed zijt, goedertieren en barmhartig. Schoorvoetend treden wij nader en wagen wij het nog voor uw troon te verschijnen.

Want wij hebben een voorspreekster, die Gij nooit verstoot.

Wij hebben eene Moeder, die ook Uwe Moeder is.

Wij allen zijn Maria's kinderen.

Onder het kruis nam zij ons aan.

Zijn wij bij haar niets kan ons hinderen.

Wij zijn bij haar.

Wij gaan tot U aan hare hand.

Zijn wij Maria's kind, dan zijn wij Jezus' broeder.

Beminde Geloovigen, ik sprak er mijn vreugde over uit, dat ik tot U het woord mocht richten ter inleiding van het veertigurengebed. Thans zult Gij de reden van die vreugde begrijpen. Ik behoefde geen vrees te koesteren, of ik U tot Jezus voeren kon, sinds ik de bewijzen zag en hoorde, dat Gij kinderen van Maria zijt.[4]

Gij allen draagt haar kleed, het H. Scapulier van Carmel. Het kleed, dat zij, de Koningin des Hemels van Engelen omstuwd, gaf aan den H. Simon Stock en in hem aan geheel de Orde van de Carmelieten, wier onderscheidingsteeken, wier ordekleed, dit H. Scapulier geworden is ten bewijze dat zij bovenal de Lieve-Vrouwe-Broeders zijn, dat kleed hebt Gij allen, ik mag wel zeggen, zonder uitzondering, aangenomen.

Gij hebt U daarvoor aangesloten bij de Orde der Broeders van Onze Lieve Vrouw met het vaste voornemen, steeds op bijzondere wijze haar kind te zijn.

In uw stoffelijk scapulier of in de medaille, welke het vervangt, draagt Gij als een eereteeken het insigne, dat Gij Maria wilt vereeren en U onder haar bescherming stelt.

Als ik U dan ook hier allen voor mij zie, terwijl ik U omhangen weet van die heilige livrei dan dringt zich onwederstaanbaar op dezen avond het beeld van de leerlingen des Heeren en de vrome vrouwen, die in de Opperzaal eensgezind en volhardend baden met Maria, Jezus Moeder.

En dan twijfel ik er niet meer aan, of de zegeningen, welke dat heilig onder de schutse van Maria uitgesproken gebed volgden, of die zegeningen zullen ook dit gebed veertig uren voortgezet volgen.

Reeds zie ik van Maria’s handen de stralen van genade nederdalen welke zij, de algemeene middelares voor U deze dagen van haar Zoon verkrijgt.

O jubel het uit, Gij uitverkoren volk des Heeren, zie de dageraad staat voor U, de verkondigster van een zonnigen dag vol zegeningen.

Zoo Gij slechts als de Apostelen eensgezind en volhardend met Maria in het gebed vereenigd blijft. [5]

Eensgezind. Zie, Uw Koning komt tot U vol goedheid. Liefde is het eerste gebod in zijn rijk. Hieraan zal men zien, of Gij zijn leerlingen zijt, of Gij liefde hebt voor elkander.

De Leerlingen des Heeren, met Maria in gebed vereenigd, zij waren, gelijk de H. Schrift getuigt een hart en eene ziel.

Ziet eens, zeiden de heidenen tot elkander, hoe zij elkander lief hebben. Geldt dit ook van U.

In deze dagen zoeken wij allen een nauwer vereeniging van onze ziel met Jezus. Maar hoe kan men zijn in Jezus, wat de liefde niet verbindt. Weet Gij niet, dat Jezus zelf gezegd heeft, dat als Gij U herinnert, dat uw broeder iets tegen U heeft, Gij U eerst met uw broeder moet verzoenen en dan komen om uw offer op te dragen. Zoolang Gij uit uw hart niet alle gevoelens van wrok en haat misschien, niet alle gevoelens van schuldige afgekeerdheid niet verwijdert, kunt Gij den God van liefde die zijn zon doet opgaan over goeden en kwaden niet aangenaam zijn.

Meent niet, dat Gij het recht hebt het U gedane onrecht te wreken. Mij is de wraak zegt de Heer. Oordeelt niet opdat Gij niet veroordeeld wordt. Een is er, die eenmaal oordeelen zal en aan Wien wij met een gerust gemoed de handhaving van het recht mogen overlaten. Laten wij slechts zorgen en oordeelen over onze eigen ziel. Laten wij jegens onzen misschien schuldige medebroeder barmhartig zijn opdat ook ons barmhartigheid bewezen worde. De oordeelen der menschen zijn zoo vaak niet de oordeelen Gods. Hoe dikwijls moet onze ijdelheid een walg zijn in Gods oog als wij in hooge verwatenheid een oordeel vellen over onzen evenmensch en als de knecht uit het Evangelie onzen medeknecht de keel toeknijpen en hem niets, niets vergeven, terwijl de Heer ons een schuld kwijt scheldt duizendmaal grooter. O tot die liefdeloozen heeft God in den parabel de woorden doen klinken: Werp hem in de eeuwige duisternis.[6]

Opent dan uw harten voor de liefde. Legt op het vuur, dat de goddelijke Liefde in U ontsteekt, alles neer, wat U ergert, alles wat bij U is blijven zitten tegen wie dan ook en neemt nadat alles is gezuiverd en geheiligd en beoordeeld naar de uitspraken ingegeven door de goddelijke liefde, al uw medemensch[en] op in uw [hart] en laat allen gelijkelijk deelen in uw liefde. Eerst dan kunt Ge met uw medemenschen kinderen zijn van eene Moeder, als Gij al uw medemenschen beschouwt als Uwe Broeders. Eerst dan kunt Gij Jezus uw broeder noemen, wanneer Gij uwe broeders acht alwie Hij in zijne oneindige liefde als zijne broeders heeft aangenomen.

Gij hebt hier zelf te kiezen.

Wilt Gij een zijn met Jezus, wilt Gij Maria uw Moeder noemen, er is slechts een weg, die der liefde. Wijkt Gij af van dezen weg, dan zult Gij nooit tot Jezus komen, maar dan hebt Gij ook Maria als uw moeder uit het oog verloren.

De Apostelen waren eensgezind en volhardend in het gebed.

Het is dus niet voldoende, dat Gij voor een oogenblik alles ter zijde stelt en doet alsof er niets gebeurd is, een oogenblik luistert naar Gods woord om dan verder weder uw gewonen gang te gaan. De Apostelen volhardden in het gebed met Maria. Trouw bleven zij hun gebeden opzenden tot den Heer, totdat de tijd vervuld was, door God bepaald. Eerst toen de vijftig dagen vervuld waren, Cum complerentur dies Pentecostes, daalde Gods Geest over de Apostelen neder, niet daags na ’s Heeren Hemelvaart, neen, eerst na een novene van negen dagen werd hun gebed verhoord. En dat terwijl zij toch al dien tijd baden met Maria eens van zin, dus in volle overgeving aan Gods Wil. Zoo moeten ook wij bidden al de vastgestelde uren en oogenblikken, heel het veertigurengebed. Het moet een onafgebroken bede zijn van de parochie Wijhe, waarbij de personen wisselen, doch allen zich [7] gelijkelijk kwijten van de hun opgelegde taak, allen op hun beurt de eerewacht betrekken voor den troon des Konings.

God is ons allen even na. Het zou een grove tekortkoming zijn, indien wij gingen zeggen, dat een ander maar moet bidden, terwijl wij maar zouden willen wachten, totdat God ons de weldaden welke Hij ons toebedeelt, over ons uitstort. Als wij ons zelfs de moeite niet getroosten Gods gaven van Hem af te smeeken, als wij het te veel achten, Hem onze ongenoegzaamheid en onze behoefte aan zijn hulp te betuigen, indien wij ons niet vernederen voor God en telkens opnieuw weder erkennen, dat wij in plaats van weldaden straf verdienen, doch hopend op Gods goedheid en barmhartigheid vol ootmoed schuld bekennen en vertrouwvol vragen om zijn zegen, dan zal Hij ons dien zegen niet verleenen. Den nederige geeft hij zijn genade, den nederige, die ondanks alle gunsten Gods doordrongen blijft van zijn onwaardigheid en telkens weder God om zijn genade vraagt. Slechts die erkenning zal ons doen blijven bidden, slechts die erkenning zal ons doen volharden in het gebed met Maria, de nederige dienstmaagd des Heeren en ook ons na onze verklaring Zie de dienstknecht, zie de dienstmaagd des Heeren, de genade des H. Geestes over ons doen komen en Jezus doen wonen in ons hart.

Laten wij het dan niet beneden ons achten in deze dagen tot Jezus te komen, laten wij niet meenen, dat wij ander en beter werk hebben te verrichten en er geen tijd kan overschieten om Jezus het voornaamste te vragen van ons heele leven, de eeuwige zaligheid. Deze dagen zijn ingesteld voor het volhardend gebed. Laten wij dan ook daarin volharden en trouw deelnemen aan de smeekingen, welke in deze veertig uren onafgebroken tot God moeten opklimmen.

Dan zal het in waarheid een tijd zijn van zegening en heil. [8]


Goede Jezus, God van Liefde, zie hier de parochie van Wijhe met haren herder aan uw voet. Zie, van den troon uwer Moeder, onder wier schutse en voorspraak zij zich stelden, wier heilig kleed zij dragen, komen zij tot uwen troon. Zij groeten U. Alles wat hen scheidde, alles wat hen verdeelde, het is weggenomen uit hun hart. Zij willen allen een zijn in Uwe liefde. Zij scharen zich zonder eenig onderscheid van rang of stand aan uwen H. Tafel, om aan te zitten aan het Gastmaal der goddelijke liefde, waarbij Gij allen gelijkelijk voedt met Uw Heilig Vleesch en Bloed. Zij willen als uw leerlingen een hart en eene ziel uitmaken en zoo staan voor uwen troon als een eerewacht. Zij vragen Uwen Zegen, onderpand van al uw zegeningen. Geef hun dien zegen en door dien zegen de kracht en de genade om te volharden in die stemming van liefde.



  1. Typescript (NCI OP89.05,7-14), 8 pages, undated. On top of the first page is written as date ‘192?’, but the accuracy of this date is uncertain. Where character(s) of words – for instance at the right margin of the page – are missing, we add those missing characters between square brackets. This is the first of four conferences, held in the parish of Wijhe, during the Fourty Hours’ Devotion of Pentecost. For the other conferences see: 2. Non relinquam Vos orphanos; 3. Si diligitis me, mandata mea servate; 4. Et eritis Mihi testes in Jerusalem et usque ad extremum terrae. See also Brandsma’s article about the Fourty Hours’ Devotion in the Catholic Encyclopedia: Veertig-urengebed.
  2. See: Acts 1:14 (VUL) ‘They were persevering with one mind in prayer with Mary the mother of Jesus.’


© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2021