Si diligitis me, mandata mea servate

undated

conference

 

MR.

Si diligitis me, mandata mea servate

[1]

Si diligitis me, mandata mea servate. Joes. XIV. 15.[2]


Zoo Gij Mij bemint.

Jezus vraagt ons, of wij Hem beminnen en geeft ons een teeken, waaraan wij kunnen zien, of zijne liefde in ons is.

Of wij Jezus beminnen.

Het moest geen vraag kunnen wezen.

Wie zou bij zooveel liefde geen wederliefde schenken.

En Jezus vraagt het op dat oogenblik, waarin Hij ons zijn grootst[e] liefde openbaart, in de zaal van het Laatste Avondmaal, waar Hij het H. Sacrament van liefde instelde om altijd bij ons te blijven, ons een blijvend onderpand te schenken van zijn genade, een bron waaraan wij altijd het levendmakend water kunnen putten.

Of wij Jezus beminnen.

Zeker beminnen wij Jezus. Hoe zouden wij Hem niet liefhebben, di[e] uit den hoogste der hemelen nederdaalde om ons gelijk te worden, om ons een voorbeeld te geven niet alleen, neen, om voor ons te lijden en te sterven, te sterven aan een kruis, de wreedste folteringen te ondergaan, terwijl Hij in zijn alwetendheid doorschouwde, dat millioenen zijn liefde zouden miskennen en met ondank zouden vergelden. Het heeft Hem niet weerhouden. Hij is voor ons op de wereld neergedaald en toen Zijn sterfelijk leven was volbracht, toen bleef Hij onder nog grooter vernietiging, onder gedaante van Brood en Wijn bij ons, om ons voedsel te zijn, om ons zijn lijden en dood te herinneren, om ons te doen denken aan zijn voor onze begrippen haast waanzinnige liefde.

Of wij Jezus beminnen.

Zeker beminnen wij Jezus.

Het is waar, wij vergeten Jezus soms, het is soms alsof wij Hem minder innig liefhebben, maar neen, wij willen niet, dat het wordt uitgelegd, als zouden wij Jezus niet beminnen. [2]

Vooral in dagen, als wij thans vieren, in de dagen van het veertigurengebed, willen wij het nog eens uitgesproken zien, willen wij nog eens bewijzen, dat Jezus ons niet onverschillig is, integendeel, dat wij gaarne bij Hem komen, dat wij ons voor Hem iets getroosten willen, in een woord, dat wij Hem liefhebben.

Dan doordringt ons weer de overtuiging, dat er niemand ten slo[t]te grooter liefde tot ons had, dan Hij, die aan het Kruishout voor ons stierf, om ons zalig te maken, ons, die Hij kende, ons, wiens gedrag, Hem op datzelfde kruishout, waaraan Hij hing te sterven, duidelijk was, dan Hij, die nog alle dagen voor ons zorgt, in ons onderhoud voorziet, Die alles weer ten beste leidt en in ons midden zijn woning heeft gevestigd, waar wij hem elk uur van den dag kunnen opzoeken, alle dagen mogen ontvangen om toch maar vereenigd te blijven met het voorwerp onzer liefde en zoo die liefde te onderhouden.

Of wij Jezus beminnen.

Die vraag zal vanaf heden voor ons geen vraag meer zijn.

Maar dan hebben wij ook onverbiddelijk den plicht, uitgedrukt in het woord van Jezus: Onderhoud mijn geboden.

Hij voegt er bij: Wie mijn geboden kent en deze onderhoudt, hij is het, die Mij bemint.

Het is, of voelde Jezus bij het uitspreken van die onverbiddelijke waarheid, dat hoe zoet het juk des Heeren ook is en hoe licht de last, dien Hij oplegt, is te dragen, toch bij onze groote zwakheid ook dat geringe en lichte nog zwaar drukt.

Om ons te versterken zegt Hij: Maar wie Mij bemint, hij zal ook bemind worden door mijn Vader. Ook ik zal Hem mijn liefde toonen en Mij aan hem doen kennen. Hij zal weten, dat ik de Heer hem liefheb. Uitdrukkelijk geeft Hij te kennen, dat de wereld zoo iemand door God verlaten kan achten, niet inziet, dat God [3] hem zijn liefde openbaart. De wereld ziet Mij niet maar Gij, die Mij bemint, Gij zult Mij zien. Aan U zal ik mij openbaren.

Gij zult Mij zien, omdat ik leef en ook Gij leeft. Dan zult Gij erkennen, dat Ik leef in den Vader en Gij in Mij en Ik in U. [3]

Ik heb U dit gezegd, zegt nogmaals Jezus, opdat de vreugde uw hart vervulle. Gij zijt mijn vrienden, als gij mijn geboden onderhoudt. Zeker, gij zult hier op aarde ook deel hebben in het lijden, droefheid zal ook uw hart vervullen, maar ik zal komen en uw hart zal blijde zijn en niemand zal U uwe vreugde rooven. Gij zult in de wereld verdrukking lijden, vertrouw op Mij, Ik he[b] de heele wereld overwonnen.

Beminde Geloovigen: Dit en nog veel meer zeide Jezus in die zaal van het laatste Avondmaal tot zijne leerlingen. Hier in deze kerk klinken U vanaf den troon, waarop uw liefde Jezus heeft doen stellen, diezelfde woorden tegen.

[4] Zeker, Hij doet ons zijn geboden kennen, maar zijn voorbeeld nie[t] alleen maar nog veel meer zijn genade maakt ons de onderhouding dier geboren licht. Maar waarin schuilt vooral het geheim der [4] woorden: Mijn jurk is zoet en mijn last is licht.

Dat geheim, Bem. Gel. dat geheim is niets anders dan het geheim van Jezus liefde en van onze [liefde.] Zoo wij Jezus slecht[s] beminnen, dan zullen wij al zijn geboden onderhouden en het onderhouden van die geboden zal ons in stee van ons te drukke[n,] vervullen met een blijdschap, waarvan de wereldling geen denkbeeld heeft. De wereld ziet niet, dat Jezus in uw harten woont, dat Gij een zijt met Hem en zij begrijpt dus niet, dat Gij geboden onderhoudt, welker wetgever zij niet kent, welker onderhouding voor hen ondragelijk is, omdat Jezus niet bij hen is, die hen met liefde tot die geboden vervult, hun de kracht schenkt ze te onderhouden.

Maar Gij, Gij weet, dat Jezus in uw harten leeft en Gij leeft in Hem, Gij weet, dat uw ziel is de tempel van den H. Geest de woonstee der H. Drievuldigheid.

Gij weet, wien Gij uw hart verpand hebt, en dat uw Beminde U niet verlaat als Gij zijn geboden onderhoudt.

En waar hij alles[5] doet om uwe liefde op te wekken, daar maakt Hij U den arbeid licht.

Ziet wat de liefde vermag.

Ziet wat de moeder doet voor haar teergeliefde kindertjes. Niets is haar te veel. Moe en afgemat van den arbeid, vol behoefte aan rust tobt zij zich bij het schreien van haar kindje af om het leed, dat zij het hebben ziet, te verlichten. Niets is haar te veel. Het is voor mijn bloedjes van kinderen zegt zij. Daarvoor zal ik werken zoolang[6] ik kan.

Ziet den ontdekkingsreiziger, die al zijn zinnen heeft gezet op de ontdekking van een nog onbekende streek, op de beklimming van een nooit bestegen berg. Ik herinner me de verhalen van die tochten, hoeveel ontbering, hoeveel offers [5] moesten worden gebracht om tot het teergeliefde doel te komen.

Ziet zoovelen in de wereld, begeerig naar een post, een ambt, ziet hoeveel moeite, kosten en zorgen dit van hen vraagt.

Maar als het daartoe slechts strekt, kunnen zij alles.

Ieder heeft in zijn eigen omgeving wel personen, voor wier moed en trouwe ijver, voor wiens volharding en noesten vlijt om tot ee[n] begeerde post te komen hij eerbied en bewondering heeft, doch laat ieder bij zichzelven nagaan, hoe hij zelf voor iets, dat hij gaarne had, offers en moeite niet ontzag en hoe hij ter will[e] van de persoon of van een zaak, die hij beminde dingen heeft gedaan, waartoe alleen die groote liefde hem heeft kunnen brenge[n]. Het is beschamend, doch tevens leerzaam.

Daar zien wij wat wij kunnen, als wij slechts liefde hebben.

Niet is de last des Heeren zwaar, niet is zijn juk bitter, neen, onze liefde is verflauwd.

Zoo gij Mij bemint, zult Gij mijn geboden onderhouden.

Let er wel op. Jezus zegt niet onderhoudt mijn geboden, opdat Gij liefde tot Mij moogt verkrijgen. Neen, bemint mij, dan zult Gij vanzelf mijn geboden onderhouden. Het onderhouden van Gods geboden is voor ons het kenmerk van onze liefde. En zoo wij helaas tot het inzicht komen, dat wij die geboden slecht, wellic[ht] zeer slecht onderhielden. Dan is op de eerste plaats noodig, dat wij onze liefde verlevendigen en verinnigen.

De wereld ligt verwoest, klaagde Jeremias, omdat er niemand is die nadenkt in zijn hart.

In denzelfden geest mogen wij zeggen: Gods geboden worden veronachtzaamd, omdat men niet nadenkt.

Bem. Gel. Laat ik tot U de woorden herhalen, die Jezus op den dag voor zijn lijden over Jeruzalem sprak: Ach, dat Gij nog op dezen uwen dag herkendet, wat U tot heil verstrekt. Ik heb U willen vereenigen als een hen hare kiekens onder hare vleu- [6] gels vereenigt.

En laat Jezus van U niet kunnen zeggen: Maar Gij hebt niet gewild.

Neen, dat zegt Jezus niet van U. Te groot is uwe liefde, dan dat Gij geen gehoor zoudt geven aan die liefderijke stem des Heeren.

Openlijk mag ik hier in naam van U allen tot Jezus zeggen, op de vraag Parochie van Wijhe, bemint Gij Mij: Gij weet Heer dat wij U beminnen.

Bem. Gel. Ik wensch U geluk met die betuiging uwer liefde. Maar weet het wel, dat Gij zelfs tot die getuigenis niet in staat waart, als God U niet de genade gaf ze af te leggen, zoo Hij die liefde niet uitstortte in uw hart.

Niet Gij hebt Mij verkoren, maar Ik heb U verkoren, zegt de He[er.]

Had God uw ziel niet kunnen omkleeden met het zwarte lichaam van den neger. Had Hij U niet kunnen doen geboren worden in Afrika‘s zandwoestijnen als de slaaf van een wreeden inboorling. Had Hij U niet kunnen doen opgroeien in de duister van het heidendom, in dorre en troostelooze levensomstandigheden waarin geen oogenblik het weldadig licht van het Katholieke Geloof zou zijn doorgedrongen. God heeft dat niet gewild. Hij heeft U uitverkoren. U het levenslicht doen aanschouwen in deze streken waar Gij werdt grootgebracht in de leer der alleen zaligmakende Kerk. Gij hebt U als klein kind reeds moge[n] voeden met zijn H. Vleesch en Bloed en met wat [een] vreugde was uw hart vervuld op dat plechtig oogenblik. Dat geluk kennen de kinderen der wereld niet.

En toch wij zouden al hun vreugde niet willen koopen ten koste van de vertroostingen van ons H. Geloof.

Vooral in uren van lijden, vooral als het onderhouden van Gods geboden moeite kost, dan waardeeren wij de gave des Geloofs. [7]

Als de wereldling waanzinnig zou kunnen worden van smart, dan zegt ons H. Geloof, dat het God is die slaat en beproeft, hard misschien voor dat oogenblik, doch niettemin met vaderhand.

Wij weten aan Wien wij ons hart verpand hebben en hoe Hij getrouw is voor degenen die Hem dienen en hoe Hij hen eenmaal vergeldt, wat zij te Zijner liefde doen.

O Bem. Gel. onderhouden wij in ons hart de liefde. Zij is de bron onzer vreugde, zij is het onderpand van ons geluk.

Brandt de liefde in ons hart, dan is ons niets te veel, niets te zwaar, dan prijzen we ons gelukkig, omdat wij steeds nader komen bij Hem, die ons alles is.

Laten wij toch die vreugde niet al te zeer in ons hart beslote[n] houden. Zeker, de liefde, ook de liefde Gods heeft haar geheimen en ze is zoo teer, dat zij zich haast niet uit laat spreke[n.] Maar toch, op zoo’n dag als vandaag moet ik tot U het bewustzi[jn] verlevendigen, dat Gij die liefde in uw hart bezit en er U uiting aan doen geven. Kinderen, ook Gij reeds, juicht en jube[lt] omdat Jezus U heeft uitverkorenen, U heeft voorbestemd tot een eeuwig geluk. Jongelingen, meisjes, die uw zinnen nog stelt op zoovele idealen dezer wereld, vergeet bij al die jeugdidealen niet het hoogste ideaal van uw leven, het onderpand van uw aardsch en van uw eeuwig geluk, de liefde van den Heer. Laat nooit een liefde uw harte rooven, die U de liefde des Heeren zoude doen verliezen. Hem moet Gij beminnen. En als Gij Hem niet meer bemint, als uw gedrag U zegt, dat uw liefde tot den oneindig beminnenswaardige is verkoeld, och, ik bezweer het U bij de liefde des Heeren zelve. Denkt dan vandaag een oogenbli[k] na. Onder tranen zou ik met Jezus willen zeggen: Och, dat Gij nog op dezen dag erkendet, wat U tot heil verstrekt.

Zoo Gij Mij bemint, onderhoudt mijn geboden. Zorgt met alle kracht die in U is, het vuur der liefde in U ontstogen te houd[en] [8] en is het uitgedoofd ga naar het fornuis der liefde, tot Jezus H. Hart. Werpt U met Joannes aan de borst des Heeren en voel er hoe warm dat harte voor U klopt. Leg met Thomas uw hand in zijne zijde, en zie wat Hij leed om U gelukkig te maken.

Bij dat vuur kunt Gij niet koud blijven. Ga naar de H. Tafel. Zit aan aan dat H. Gastmaal. Heeft Jezus niet gezegd: Wie mijn Vleesch eet en Mijn Bloed drinkt leeft in Mij en ik in hem. Ja sterker nog: Indien Gij het Vleesch van den Zoon des Menschen niet eet en Zijn Bloed niet drinkt, zult Gij het leven in U niet hebben.

Er is dus maar een middel om in de liefde des Heeren te volharde[n:] zich telkens opnieuw met Hem vereenigen.

Het kan ook niet anders. Het is zoo koud, zoo kil rondom ons in de wereld. Men voelt er niets voor Jezus. Er is geen vuur voor hem ontstogen. De harten zijn koud en ongevoelig voor de roepstem zijner liefde. In die omgeving moeten wij verkoelen. Ga naar het vuur en warm U en begeef U daarna in de koude buitenlucht. Zeker het heeft U goed gedaan, dat Gij U hebt kunnen warm[en.] Een korten tijd zijt Gij tegen de geweldig koude buiten bestand omdat Ge door en door warm waart geworden. Maar op den duur en eerder naarmate de omgeving koeler en killer is, zult Gij de warmte verliezen, indien Gij niet opnieuw U warmt of het vuur dat U verwarmt onderhoudt. Zoo gaat het ook met het vuur der Liefde. Als wij het niet onderhouden, dooft het langzaam uit en des te eer, naarmate wij in een omgeving leven[7], waar minder aan Jezus wordt gedacht, minder aan zijn geboden wordt vastgehouden.

Ziet, Gij schaamt U niet, wanneer het koud is, U warmer te kleeden, in uw vertrekken een kachel te plaatsen. En gij zoudt U schamen, gij die Katholieken heet, gij zoudt U schamen in deze koude wereld te gaan tot het [9] oven brandend van liefde, tot de troon van Jezus, waar alles van zijn liefde spreekt, waar een oogenblik nadenken uw hart met liefde moet vervullen.

Schaam U daarover, maar dan zal zich ook de Hemelsche Vader schamen over U.

Doch neen, gij schaamt U niet.

Een blik op uw afgelegd leven zegt U, dat uw liefde niet stee[ds] bestendig was. Het kenmerk, dat Jezus zelf U gaf, dat zoo gij Hem bemint, gij zijn geboden zoudt onderhouden, zegt U, dat u[w] liefde al te snel wordt afgekoeld in deze koude wereld en Gij behoefte hebt U dikwijls te voeden met de Wijn, die voor den hemelschen Bruidegom de bruiden kweekt, dat wil zegg[en,] zielen die hem beminnen.

Ik vroeg U in den beginne van mijn rede, of Gij Jezus bemint.

Ik kon die vraag niet ontkennend beantwoorden.

Maar als Gij Jezus wilt beminnen, Gij zwakke schepselen, houdt U dan aan Jezus vast. Houdt U dan met Hem vereenigd.

Voedt U met zijn Vleesch en Bloed.

Dan alleen kunt Gij in Gods liefde blijven.

Maar dan ook leeft Gij in God en God in U en hebt Gij het onderpand des eeuwigen levens.

[8] Naarmate zwakker en onvolmaakter meer tot Jezus.

Dagelijks Zeg niet het niet te kunnen.

Eerste Christenen. Onvolmaakten opdat zij beter worden. Volmaakten vanzelf door de liefde gedreven.

Onwaardig? Zeker onwaardig. Goedheid Gods verwerpen?

Martha Martha.



  1. Typescript (NCI OP89.05,23-31), 9 pages, undated. In the archives the pages are placed in the wrong order: page ‘26’ has to be placed between page ‘23’ and ‘24’ and page ‘29’ has to be placed between page ‘27’ and ‘28’. We present the corrected order. Where character(s) of words – for instance at the right margin of the page – are missing, we add those missing characters between square brackets. This is the third of four conferences, held in the parish of Wijhe, during the Fourty Hours’ Devotion of Pentecost. For the other conferences see: 1. Erant perseverantes unanimiter in oratione cum Maria Matre Jesu; 2. Non relinquam Vos orphanos; 4. Et eritis Mihi testes in Jerusalem et usque ad extremum terrae. See also Brandsma’s article about the Fourty Hours’ Devotion in the Catholic Encyclopedia: Veertig-urengebed.
  2. See: John 14:15 (VUL) ‘If you love me, keep my commandments.
  3. Crossed out is: ‘Wij zullen een zijn in de liefde Gods. En Gods genade zal ons vervullen en ons met God vereenigd houden. Indien iemand Mij bemint, zal hij mijn woorden onderhouden. De Vader zal hem beminnen en Wij zullen tot hem komen en onze woonstee bij hem vestige[n.] En Hij besluit met de woorden: Ik laat U mijn vrede, ik geef U mijn vrede. Indien Gij Mij bemint, verheugt en verblijdt U. Blijft in Mij en ik blijf in U. Ik ben de Wijnstok gij de ranken. Slechts als Gij door de liefde met Mij vereenigd blijft, kunt gij vruchten dragen. Zoo Gij U losmaakt van Mij zult gij verdorren en in het vuur gehouden worden.’
  4. Crossed out is: ‘Ik zeide het reeds gisteren, ons eenig streven moet zijn de vereeniging met God. Jezus maakt het ons zoo gemakkelijk. Hij komt tot ons en wint onze liefde op de meest overweldigende wijze.
  5. In the typescript erroneously: ‘aller’.
  6. In the typescript: ‘zoolank’.
  7. In the typescript erroneously: ‘leving’.
  8. The following notes are added with pencil.


© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2021