Non relinquam Vos orphanos

undated

conference

 

MR.

Non relinquam Vos orphanos

[1]

Non relinquam Vos orphanos. Joes XIV. 18[2]


Toen Jezus in de zaal van het laatste Avondmaal zijn afscheidsre[de] uitsprak en zijne leerlingen troosten wilde met de schoonste beloften, zeide hij de verblijdende woorden: Ik zal U niet als weezen achterlaten. Ik ga, maar kom toch tot U. Ik ga, maar zend U een anderen Vertrooster. En voor Hij opvoer ten Hemel zeide Hij nog: Ik zend U den H. Geest. Blijf in deze heilige stad, totdat Gij vervuld wordt van de kracht uit den hooge.

Beminde Geloovigen, die woorden zijn ook tot U gesproken.

Ach, wij verlangen er soms naar te hebben geleefd in den tijd, dat Jezus op aarde rondwandelde. Wij meenen, dat wij zijn liefde beter zouden hebben begrepen en beantwoord dan de Joden, die Hem kruisigden, Hem nooit zouden hebben verloochend als een H. Petrus of verraden misschien als een Apostel Judas, verlaten als alle Apostelen. Bedriegen wij onszelve niet.

Wat de H. Joannes van zijn tijd zeide, geldt niet minder van ons. Ziet in uw midden staat hij en Gij kent Hem niet. Jezus is heengegaan, maar Hij heeft ons toch weer niet als weezen achtergelaten. In zijn oneindige Wijsheid heeft Hij het middel gevonden om, terwijl Hij in den Hemel troont aan de rechterhand des Vaders, bij ons te blijven onder gedaante van brood en Wijn, maa[r] niettemin met ziel en lichaam, met Vleesch en bloed, gelijk Hij verheerlijkt leeft in den Hemel.

In het H. Sacrament geeft Hij ons Zichzelven weder en niet slecht[s] Zichzelven als den Tweeden Persoon der Heilige Drievuldigheid, neen, Hij zegt ons, dat alle drie Personen hun intrek zullen nemen in ons hart, als wij ons met Hem vereenigd houden.

Laten wij op dezen hoogen feestdag, waarop wij de nederdaling van [2] God den H. Geest herdenken, eens wat nader nagaan, hoe de H. Communie niet slechts het Lichaam en Bloed des Heren in ons doet nederdalen, maar ons vervult met Gods genade en deze onvergelijkelijke genadewerking moet worden toegeschreven aan den H. Geest, die met Jezus in ons hart daalt. Daaruit zien wij dan ook, welke heerlijke vruchten de H. Communie in ons moest uitwerken, als wij daaraan geen beletselen ste[l]len.

Het is helaas treurig, hoe weinig inzicht velen hebben in het wezen, in het groote voorrecht, in het onuitsprekelijk geluk, van het Katholieke Geloof. Zeker, men weet, dat in onze H. Kerk zeven Sacramenten zijn, door Christus ingesteld om zijn genade mee te deelen, maar hoe zelden verdiept men zich in de beteekenis daarvan.

Wat is genade, wat wil dat zeggen, dat de H. Sacramenten voor ons genademiddelen zijn.

Denken wij eens een oogenblik na, wat het doel is, waarvoor wij op deze wereld zijn. Als wij niet komen tot vereeniging met God om in eeuwigheid met en door Hem gelukkig te zijn, dan kunnen we van ons zelve zeggen – ach, dat er toch niet waren, van wie men het zeggen moet – dan zouden we van onszelve moeten zeggen, wat Jezus zeide van Judas den Verrader: Het was dien mensch beter, dat hij niet geboren was. Tot God den oorsprong van alles, die alles tot zijn eer en verheerlijking heeft geschapen, tot God moeten wij wederkeeren en slechts als wij tot Hem gerak[en], is ons een gelukkig, een eeuwig gelukkig bestaan verzekerd.

Wat leven we veel voor onszelve. Wat meenen we, heelwat te zijn en zelfgenoegzaam hoog te mogen neerzien op hetgeen ons omringt. Wij zijn soms zelfs verwaten genoeg om te meenen, dat Onze Liev[e] Heer ons dank verschuldigd is, omdat wij toch heelwat deden om zijn dienst te bevorderen, zijn naam te verheerlijken. [3]

Kinderen, die wij zijn. Alsof God ons noodig had. Alsof Hij niet door een enkele daad van zijn Wil alles veel beter en volmaakter tot stand kon doen komen, dan wij vermogen.

Waarlijk, wij zijn voor God kinderen.

Gij zult uit uw eigen kinderjaren, uit het huishoudelijk leven, dat Gij nog heden leeft, U herinneren hoe men vaak het kindje iets laat doen, dat men zelf veel sne[l]ler beter en met minder moeite zoude kunnen doen.

Zoo is het ook met ons. God laat toe, God vindt goed, dat ook wij iets doen, al weet hij, dat wij niets vermogen zonder zijne hulp. Zie het kindje, dat onder het oog van Vader of Moeder iets mag doen. Het meent reeds een daad te stellen van groot gewicht. Een zekere trots gloeit in het oog en fier is de houding. Na het welslagen wordt triomfantelijk rondgezien en hoewel het kindje slechts iets deed, waarvoor moeder het handje leidde, waarbij Vader het eigenlijke werk deed, het kindje heeft het gedaan en een versnapering, een belooning volgt en versterkt het kind nog in de meening, dat het een groote daad verrichtte. Vader en Moeder doen dat in hun goedheid, omdat zij van het Kindje houden, zij willen het de vreugde geven, overeenkomstig zijn vermogens ook iets te doen. Maar wat zal het kind zonder Vader zonder Moeder van hetzelfd[e] werk tot stand brengen. Het gaat niet, het is geheel op Vader of Moeder aangewezen.

Zoo gaat het ook met ons. Meenen wij toch niet iets te vermog[en.] Heeft Christus het niet uitdrukkelijk gezegd: Zonder Mij kun[t] Gij niets doen. Maar God heeft in zijn wijsheid onze werkzaamheid gewild. Hij heeft ons de vreugde willen schenken, dat wij schijnbaar iets vermogen, dat we groote dingen als het resultaat van onzen arbeid mogen aanschouwen.

In waarheid is het zijn hand, die ons bij dien arbeid steunen, [4] zijn kracht, die ons schragen moest. Niet God is ons loon en dank verschuldigd, maar wij, wij moeten blijde zijn, dat God zoo goed is, zich met ons onledig te houden en ons gebruikt als werktuigen in zijn hand om het goede tot stand te doen komen. En Hij heeft die goedheid zoover doorgevoerd, dat Hij de belooning verbindt aan die daden, die door ons niet zonder zijne hulp gesteld kunnen worden.

Hij verheugt zich in onze kinderlijke vreugde.

Maar gelijk het ons onaangenaam aandoet, als een kind, door Vade[r] en Moeder geholpen om iets te doen, terwijl we zien, dat het Vader of Moeder niet missen kan, in lichtzinnigen overmoed het werk alleen wil doen en al is het geheel en al verbroddeld, toch nog meent, dat het even goed was als toen Vader en Moeder hielpen, zoo is het ook een betreurenswaardig schouwspel als de mensch zich van God losmaakt en meent zijn eigen weg wel te kunnen gaan.

En dat, terwijl God van zijn kant alles doet om die vereeniging met Hem zoo gemakkelijk mogelijk te maken, ons te helpen op de voor onze natuur meest eervolle en verheugende wijze. Hij heeft het middel gevonden om zonder de natuurlijke werking van den mensch op te heffen, daarmede een bovennatuurlijke, een goddelijke te verbinden, slechts te aanschouwen met de oogen des verstands en in het licht des Geloofs.

Die vereeniging met God, waarbij God met ons medewerkt, al onze handelingen doet voortkomen van ons in zooverre wij vereenigd zijn met Hem, en aldus aan al die daden een bovennatuurlijke waarde schenkt, die vereeniging noemen wij den staat van genade, het verleenen van die onzichtbare maar alverheffende medewerking noemen wij de genade.

Alle genademiddelen, alle Sacramenten zijn dan ook niets anders dan zoovele wegen, waarlangs ons God zijn medewerking aanbiedt, [5] ons met Zich tracht te vereenigen. Vele wegen heeft Hij daartoe uitgekozen en onder allerlei uiterlijke teekenen heeft Hij die genadeverleening willen schenken.

Maar geen Sacrament haalt [het] bij het Hoogheilig Sacrament des Altaars, waar niet slechts de genade, de medewerking Gods ons wordt geschonken, maar God zelf, de bron van alle genade.

In de Menschwording, in zijn sterfelijk leven op aarde heeft de tweede Persoon der H. Drievuldigheid die vereeniging van God met de menschen het allersterkst willen doen uitkomen. Emmanuel, dat wil zeggen, God met ons, was de naam, waaronder de profeet Isaia[s] den Messias voorspelde. Allernauwst was de vereeniging en alom zijn weldaden verspreidend, alom zijn genade mededeelend ging God in die jaren met de menschen om. God heeft zijn volk bezocht, riepen de Joden opgetogen uit. Doch slechts enkele jaren duurde dat sterfelijk leven, enkele jaren, waarin nog velen hem niet kenden.

Toen voer Hij op ten Hemel, doch hij zeide ons: Ik zal U niet al[s] weezen achterlaten. Kinderen, weest gerust. Vader verlaat U niet. En hij voegde er bij: Ik beloof U den H. Geest, blijft in deze H. Stede, totdat de kracht uit den hooge U vervult.

Die kracht uit den hooge is de kracht Gods, die onze werken in de bovennatuurlijke orden het aanzijn moet schenken, de kracht Gods, zonder welke wij voor den Hemel niets vermogen.

De werking der Genade, de vereeniging van den mensch met God wordt aan den derden Persoon der H. Drievuldigheid toegeschreven. In den eersten Persoon huldigen en zien wij de Godheid in zich zelve, in den Tweeden Persoon zien wij God, die zich geeft en kenbaar maakt, zich met den mensch vereenigt, in den derden Persoon zien wij de vereeniging van den mensch met God. Zoo zien wij in alle Sacramenten de werking van Gods geest in zooverre Hij ons door dat H. Sacrament vereenigt met de Godheid opheft tot een hoogere orde. [6] Zoo zien wij in alle Sacramenten een nieuwe nederdaling van God den H. Geest, die daarin zijne genade, zijn kracht aan onze mededeelt en ons in staat stelt, daden te stellen verdienstelijk voor den Hemel.

Zoo begrijpen wij, hoe Christus, terwijl Hij het H. Sacrament des Altaars instelde, tegelijkertijd de zending van den H. Geest aankondigde en bij de instelling van het H. Sacrament der Biecht eerst de woorden sprak: Ontvang den H. Geest.

In de H. Communie komt Jezus in lichamelijke gedaante tot ons. Hij blijft bij ons, zoolang de gedaante[3] van Brood in ons bewaard blijft. Dan verlaat ons zijn lichamelijke tegenwoordigheid, maar niet verlaat ons dan de geest Gods, die onafscheidelijk met den Tweeden Persoon verbonden in ons wonen blijft en ons met God vereenigd houdt.

Ik zal u niet als weezen achterlaten.

Heden op den H. Pinksterdag gevoelen wij het nog sterker dan anders, hoe in de H. Sacramenten telkens opnieuw de H. Geest neerdaalt in onze harten, d.w.z. Gods genade ons vervult, Gods genade, welke wij zoozeer behoeven, zonder welke wij in het Rijk der Hemelen niets vermogen, niet in staat zijn een enkele verdienstelijke handeling te stellen. Heden op het H. Pinksterfeest neergeknield voor den troon van Jezus in het H. Sacrament voelen wij dien H. Geest op ons dalen in de gedaante van vuur. Vuur van liefde wordt heden in ons hart ontstoken, vuur, dat brandt en niet verteert, dat ons doet gloeien en dwingt onze warmte mee te deelen.

Amor non amatur. De liefde wordt niet bemind.

O wat bedroeft het ons te zien, dat zoovelen verwijderd blijven van dat vuur, dat door Jezus in onze kerken is ontstoken, waaraan wij ons slechts hebben te naderen om ons te verwarmen. Het is zoo koud, zoo donker om ons heen, dat wij dat vuur zoo [7] dringend behoeven, willen wij niet verkoelen en alle warmte verliezen.

Wie nadert tot het vuur, zegt zoo schoon Thomas a Kempis, en wordt niet door de warmte er van doordrongen.

Als wij tot Jezus gaan in zijn H. Sacrament, dan kan het niet uitblijven of het vuur, dat hij ontstoken heeft, zal ons verwa[r]men, het Vuur des H. Geestes zal ons doorgloeien en wij zullen zoo wij slechts lang genoeg en telkens weer bij Jezus komen in dat fornuis van goddelijke liefde, gelijk de Kerk het Hart van Jezus noemt, dan zal het ons in zichzelf oplossen. Als het hout dat in het vuur geworpen wordt ten slotte een wordt met h[et] vuur en er alle eigenschappen van aanneemt, zo zullen ook wij als wij slechts dicht genoeg en lang genoeg ons koesteren en opgaan naar dat vuur, een worden met dat goddelijk vuur en in die vereeniging gelukkig zijn.

Wij zullen op onze beurt branden en gloeien van liefdevuur en weder anderen in den gloed, die ons vervult doen deelen. Wi[j] zouden het willen uitroepen hoe [g]elukkig wij zijn in die vereeniging met God. Och hoevelen voelen zich verlaten, eenzaa[m] en als weezen. Bij Jezus verlaat ons dat gevoel. Alle koude wijkt, de zon gaat voor ons op en het is licht en warmte om on[s] heen. Het kan ons niet verwonderen, dat de leerlingen van Emmaus zeiden, Heer, blijf bij ons, want het wordt reeds donker. Donker is ook onze levensweg, het is voor ons soms moeilijk, den weg te kennen. Ook wij zouden vaak met de Apostel Thomas willen zeggen Heer, wijs ons den weg en het is genoeg. Maar Jezus laat daarop de woorden hooren: Ik ben de weg.

Er is voor ons maar een weg, die ten Hemel leidt en die weg is Christus, dat wil zeggen, die weg is de vereeniging met God. Daar moeten wij naar streven, dat is het [8] eenige doel van ons bestaan. Bereiken wij dit, dan zijn wij gelukkig, verliezen wij dit, dan is hun ongeluk verzekerd.

Zie thans staat Jezus voor U gereed en bereid U zijn genaden mee te deelen. Het is alsof Hij tot ons de woorden richt, welke Hij voor zijn Hemelvaart sprak tot de Apostelen: Nog een weinig tijds ziet Gij Mij. Laten wij dezen korten tijd benutten. Blijf in de Heilige stede, dat is in deze kerk, totdat de dagen vervuld zijn, totdat volgens de beschikking Gods de kracht uit den hooge U vervult. Volhard in het gebed, schaar U rondom de bron van licht en warmte en verwarm uw koud en ongevoelig, versterk uw zwak en wankelmoedig hart.

Laat dezen heiligen tijd, waarin God opnieuw beproeft U met Zich te vereenigen, laat dezen heiligen tijd niet onbenut voorbijgaan. Blijf niet in uw zonden leven, nu de vermanende stem van uw geweten U zegt: De Meester is daar en roept. Hij belooft U zijn geest, zijn genade, zoo Gij slechts dezen korten tijd in de heilige stede bidt en Uzelven Gode nader brengt. Vereenig U met Hem in de H. Communie. Kniel neder vo[o]r den troon, waarop Hij in uw midden zetelt om U zijn gunsten uit te deelen.

En ga niet naar huis, voordat de kracht uit den Hooge U vervuld heeft, voordat Gij door de liefde en de genade weer een zijt met God, zoodat in waarheid gezegd mag worden, dat God in U zijn woonstee heeft gevestigd, God, de Vader en de Zoon en de H. Geest.


  • ) Et convescens praecepit eis ab Ierosolymis ne discederent sed expectarent promissionem Patris. Ac. I. 4.[4]



  1. Typescript (NCI OP89.05,15-22), 8 pages, undated. Where character(s) of words – for instance at the right margin of the page – are missing, we add those missing characters between square brackets. This is the second of four conferences, held in Wijhe, during the Fourty Hours’ Devotion of Pentecost. For the other conferences see: 1.Erant perseverantes unanimiter in oratione cum Maria Matre Jesu; 3. Si diligitis me, mandata mea servate; 4. Et eritis Mihi testes in Jerusalem et usque ad extremum terrae. See also Brandsma’s article about the Fourty Hours’ Devotion in the Catholic Encyclopedia: Veertig-urengebed.
  2. See: John 14:18 (VUL) ‘I will not leave you orphans’. Also the Magnificat Antiphon of the first Vespers of Pentecost.
  3. In the typescript: ‘gedaanten’.
  4. See: Acts 1:4 (VUL) ‘And eating together with them, he commanded them, that they should not depart from Jerusalem, but should wait for the promise of the Father’.


© Nederlandse Provincie Karmelieten.

Published: Titus Brandsma Instituut 2021